De moderne tijd en haar problemen verschillen in tal van opzichten van die van het oude India, 500 v. Chr., toen de Boeddha leefde. Hoewel zijn boodschap een universele en tijdloze betekenis heeft, is het goed als het gedachtegoed van de Boeddha en zijn volgelingen naar de hedendaagse situatie worden vertaald om zo aan zeggingskracht te winnen. Westerse wetenschap en boeddhisme kunnen elkaar verrijken door wederzijdse kruisbestuiving. Maar wanneer beide met elkaar in gesprek raken, blijkt ook dat beide domeinen in bepaalde opzichten op gespannen voet met elkaar staan. Het boeddhisme kent een eigen metafysica. De geschriften zijn rijk aan mythevorming en beweringen over transcendentale verschijnselen en boeddhisten verwerpen het materialistische wereldbeeld dat in de westerse wereld veel aanhang kent. Er zijn veel pogingen gedaan om die spanningen weg te nemen en het boeddhisme en het wetenschappelijke wetenschap meer met elkaar in overeenstemming te brengen. Een richting binnen die ontwikkeling beoogt een paradigma shift in de natuurwetenschap die zich afzet tegen het materialisme. Deze stroming vindt veel steun bij boeddhisten, waaronder de Dalai Lama, maar nauwelijks onder westerse natuurwetenschappers. Zij hebben daar  ook goede redenen voor. Een tweede richting is die van het agnostisch boeddhisme, waarbij metafysische claims als niet essentieel terzijde worden geschoven. De belangrijkste proponent van die in mijn ogen meer heilzame richting, is Stephen Bachelor. Batchelor heeft jarenlang als monnik geleefd, maar heeft uiteindelijk gekozen voor een lekenbestaan waarin hij zich heeft toegelegd op het schrijven van boeken over een nieuwe vorm van boeddhisme die hij diep agnostisch heeft gedoopt. Hieronder zal ik kort ingaan op zijn amenderingen van het traditionele boeddhisme. Vervolgens bespreek ik de kritiek op zijn werk.

agnostisch boeddhisme

“So too, Malunkyaputta, if anyone should say: “I will not lead the noble life under  the Buddha until the Buddha declares to me whether the world is eternal or not eternal, finite or infinite; whether the soul is the same as or different from the body; whether or not an awakened one continues or ceases to exist after death,” that would still remain undeclared by the Buddha and meanwhile that person would die.”

Net als andere religies heeft het boeddhisme zich volgens Batchelor in hoge mate geïnstitutionaliseerd. Het werd een geloofssysteem met onbetwistbare waarheden, gecontroleerd door een autoritaire, religieuze elite. Psychologische concepten voor mentale toestanden kregen bovendien een mystieke, heilige status waarmee het boeddhisme aan praktische waarde voor leken inboette. Verlichting was alleen weggelegd voor boeddhisten die zich terugtrokken achter de muren van het klooster en zelfs dan was bevrijding vaak nog niet haalbaar. In plaats van een betrokkenheid op het maatschappelijk welzijn, verwerd de boeddhistische praktijk tot een individualistische bezigheid, waarbij maatschappelijke betrokkenheid van ondergeschikt belang was. Het boeddhisme ging eeuwen gepaard met politiek conservatisme.

Batchelor zet zich af tegen dit wat hij noemt religieus boeddhisme en wil terug naar de kern van het boeddhisme en die is volgens hem agnostisch van aard. De Boeddha was geen goddelijke verlosser maar een gewoon mens. De boeddha was ook geen mysticus, die door zijn ontwaken toegang kreeg tot geprivilegieerde esoterische kennis. Hij kreeg door nadenken en door in aandacht te zien en te leven inzicht in wat lijden veroorzaakt en hoe dit beëindigd kan worden. Dat is volgens Batchelor de kern van het boeddhisme. Een leer over de oorzaken en het opheffen van het lijden. Zo bereikte Boeddha een staat van vrijheid, die echter niet als absoluut en mystiek gezien moet worden. Vrijheid is altijd relatief, aldus Batchelor. Het is vrijheid van verstoringen, egocentrisme, onwetendheid, gehechtheid, van dwangmatigheid en verslaving, van identificatie met conventionele opinies en alle kwaden die hieruit volgen. De Boeddha zag zichzelf als heler en hij presenteerde zijn vier Nobele waarheden in de vorm van een medische diagnose en behandeling. Ontwaken moet volgens Batchelor niet gezien worden als iets mystieks, maar als een diep doorleefd besef en ervaren van de werkelijkheid met als gevolg dat verlossing van lijden mogelijk wordt. Over ontwaken zegt hij dat het “zowel een lineair proces van vrijheid is dat door de tijd gecultiveerd wordt en een altijd aanwezige mogelijkheid van vrijheid”. Het ontwaakte inzicht leidt tot loslaten, tot het verdwijnen van gehechtheid, haat en onwetendheid, de bronnen van lijden. Door sterke verlangens te erkennen, maar er niet mee te identificeren, door ze te zien als contingente, mentale toestanden die voorbijtrekken, zal dit sterke verlangen zonder verzet en hechting verdwijnen en onstaat een beleving van open vrijheid, als een tijdelijk gat in de wolken, iets wat binnen het boeddhisme geduid wordt met termen van het Niets of Leegte. Dit moet echter niet metafysisch begrepen worden, als een kosmisch vacuüm, maar als “de oneindige, creatieve dimensie van leven, een stil centrum van worden”. Het zelf is ook leeg, er is niet dingachtigs aan het zelf, het is meer een zich ontvouwend verhaal, in de woorden van Batchelor.

Stephen Batchelor

De vier waarheden, de kernleer van het boeddhisme, moet volgens Batchelor niet gezien worden als een pad, maar als een verweven geheel. Inzicht in de oorzaken van het lijden leiden tot onthechting, wat weer leidt tot inzicht in een diepere (nondualistische) werkelijkheid, dat verdere onthechting mogelijk maakt. Begrip en loslaten horen bij elkaar. Zonder loslaten resteert alleen een intellectualisme, zonder begrip wordt loslaten een spirituele pose zonder inhoud. De vier waarheden moeten niet zozeer als geloofsartikelen, als dogma’s worden gezien, vindt Batchelor. Hij wijst er herhaaldelijk op dat de Boeddha zelf zei dat zijn leer niet klakkeloos moet worden gevolgd, dat niemand van buitenaf bevrijd kan worden en dat we altijd moeten blijven onderzoeken wat ons verder brengt naar bevrijding en diep geluk. Toen Boeddha stierf weigerde hij ook een opvolger aan te wijzen, daarbij opmerkend dat mensen zelf verantwoordelijk zijn voor hun vrijheid. “De Boeddha volgde zijn verstand zo ver als het hem bracht en pretendeerde niet dat iedere conclusie zeker was tenzij getoond”, aldus Batchelor. Een agnost zou de Dharma niet moeten zien als een boek voor antwoorden en troost, noch als dogma’s, maar als een bron van inspiratie om de existentiële confrontatie aan te gaan. In het traditionele boeddhisme is te weinig aandacht voor hoe de leer van de Boeddha het beste kan worden toegepast in verschillende situaties. We zouden zijn leer niet als dogma’s moeten aanvaarden, maar moeten leren waarom ze werken (en daar is Batchelor heilig van overtuigd) om ze vervolgens in het dagelijks leven te cultiveren, net als het onderhoud van een tuin. Inzicht is immers niet genoeg; de Dharma is bovenal een praktijk van handelen. Daardoor kan ze ook niet in strijd zijn met natuurwetenschap, aldus Batchelor, omdat dat buiten haar grenzen ligt. De kunst van de Dharma, die het lijden wil opheffen, vereist toewijding, technische vaardigheid en verbeeldingskracht omdat iedere situatie een specifieke benadering vraagt.

Het boeddhisme biedt volgens Batchelor ook geen antwoord op vragen naar een leven voor of na de dood. Het is een levensfilosofie voor dit aardse bestaan. De functie van traditionele religies is het bieden van hoop en troost door de voorstelling van een beter leven na de dood, alsmede het in het gareel houden van de volgelingen door te dreigen met bestraffing in het hiernamaals. Het traditionele boeddhisme kent een geloof in reïncarnatie en karma, traditioneel begrepen als de leer dat slechte handelingen slechte gevolgen hebben die in volgende levens kunnen doorwerken. In die zin biedt het boeddhisme ook hoop en afschrikking. Door goede daden krijgen we een beter volgend leven, en bij slechte daden geldt het omgekeerde. Volgens Batchelor zou een modern boeddhisme al deze metafysica achter zich moeten laten. Het staat los van en leidt alleen maar af van de essentie van het boeddhisme. Dat de Boeddha zelf ook geloofde in een nawerelds bestaan komt omdat dat het geloof was in zijn tijd. Ook de Boeddha was wat dat betreft een kind van zijn tijd. Maar in zijn leer was de Boeddha in essentie agnostisch, meent Batchelor. Het meest duidelijk komt dit naar voren in bovenstaand citaat dat ik ontleend heb aan een hoofdstuk uit Batchelors boek Buddhism without beliefs. Toen de Boeddha gevraagd werd wat hij onderwees antwoordde hij “lijden en het beëindigen van het lijden”. Batchelor propageert een “diep agnosticisme”, een integere houding waarin gepassioneerd onderkend wordt dat we niet weten wat er zich buiten de ons bekende werkelijkheid afspeelt; het is een nederige houding en erkenning van onze grote onwetendheid, ook ten aanzien van dagelijkse zaken.

Diep agnosticisme helpt ook om bewuster te worden, legt Batchelor uit. Naarmate we in een situatie van mindfulness geraken en alles stiller en duidelijker wordt, ontdekken we ook dat we veel niet weten. We verwonderen ons over dingen. Maar dit vragen dat opkomt door het besef van niet weten, verschilt van conventioneel onderzoek doordat het niet antwoorden najaagt. “Perplexiteit houdt aandacht op haar tenen (..) Hoe meer we bewust worden van de mysterieuze ontvouwing van het leven, hoe duidelijker het wordt dat haar doel niet is om te voldoen aan de verwachtingen van ons ego. We kunnen de vraag die het stelt in woorden vatten. En dan loslaten, luisteren en wachten.” De erkenning van onze onwetendheid maakt ons ego kleiner, zorgt voor verwondering en openheid.

Die onwetendheid heeft echter ook een andere kant; ze leidt tot een grote verantwoordelijkheid en is de voorwaarde voor werkelijk moreel gedrag, dat niets te maken heeft met het volgen van regels. “Het (agnosticisme, NB) is een catalysator van actie, want in het verleggen van de aandacht van een volgend leven naar het heden, vereist het een ethiek van empathie in plaats van een metafysica van angst en hoop”. Om ethisch te handelen in fundamentele onzekerheid over de gevolgen van ons handelen, is integriteit vereist. Dit is geworteld in empathie, maar ze vereist ook moed en intelligentie. Soms weten we niet wat het beste is om te doen, maar we zijn in staat ook ethisch intelligenter te worden. Morele integriteit kent vele bedreigingen. Het wordt zowel bedreigd door hechting aan zekerheden als angst voor onzekerheid. Het wordt bedreigd door sociale gewoonten, waarbij we teruggrijpen op morele conditionering, als door egoïsme. In onzekerheid is het goed ons af te vragen wat compassievol is om te doen en om met volle aandacht de situatie op te nemen, aldus Batchelor. Paradoxaal genoeg kan dan vanuit dat vol bewustzijn een reactie uit het onbewuste hart verschijnen, zoals wanneer we iets echts, iets eigens zeggen tegen een vriend in nood in plaats van troostende platitudes. Het kan daarbij helpen om holistisch te denken. Alle levende wezens willen niet lijden en er zijn geen grenzen, zodat het lijden niet als dat van hen, maar als van ons wordt gezien.

Hoe ziet Batchelor de toekomst van het boeddhisme voor zich? Hij geeft aan dat er geen behoefte is aan een nieuwe boeddhistische kerk. Het boeddhisme zal de meeste mensen bereiken, zonder ontrouw te zijn aan haar beginselen, door een organisatie van kleinschalige, autonome gemeenschappen waarin bewustwording wordt nagestreefd met ruimte voor creatieve verbeelding en invulling van de traditionele Dharma en waarbij sociaal engagement net zo sterk wordt gewaardeerd als filosofische reflectie en de meditatieve praktijk.

kritiek

Het is niet verrassend dat Batchelor de nodige kritiek kreeg op zijn agnostische versie van boeddhisme . Zo wordt hem verweten dat de leer van reïncarnatie en karma wel degelijk tot de essentie van het boeddhisme behoren. De Boeddha zei zelf dat slechte daden leiden tot “een ongelukkige wedergeboorte, een slechte bestemming, zelfs tot de hel.” Een criticus vraagt zich af hoe het afserveren van het leerstuk van wedergeboorte nog voldoende kan motiveren tot ethisch gedrag en verheffing als alles in dit leven ophoudt. Deze kritiek snijdt geen hout. Tal van boeddhisten, vooral in het westen, zijn helemaal niet geïnteresseerd in een leven na de dood, maar beoefenen het boeddhisme niettemin vol overtuiging. Dat de metafysica niet het hart raakt van het boeddhisme is natuurlijk een vraag zonder eenduidig antwoord. Voor en tegenstanders kunnen elkaar wijzen op citaten die hun gelijk moeten bewijzen, maar Batchelors positie dat het Boeddha te doen was om het lijden te verminderen, wat hij zelf ook zei, lijkt overtuigend. 

Tegen Batchelor is ook ingebracht dat hij de Boeddha tekort doet door te zeggen dat hij de leer van wedergeboorte en levensoverstijgend karma zonder kritische beschouwing heeft aangenomen. Ook die kritiek valt niet hard te maken, maar feit is dat iedereen, ook de Boeddha, deels beïnvloed wordt door zijn of haar tijd. In tegenstelling tot wat Batchelor zei, had de Boeddha wel kennis van een voor anderen niet toegankelijke werkelijkheid, zoals die van vorige levens. Volgens de geschriften mag dit zo zijn, maar het valt moeilijk vol te houden dat dit essentieel is voor de leer van het boeddhisme. De vroege Pali teksten zijn vele jaren na Boeddha’s dood opgesteld en zijn niet los te zien van mythevorming. Binnen het volksboeddhisme wordt Boeddha toch als een soort god beschouwd, maar een dergelijke benadering kan in het westen natuurlijk op weinig receptie rekenen. Batchelor zou verder Boeddha’s leer simplificeren. Het concept van verlichting heeft een andere betekenis dan ontwaken. Batchelor heeft te weinig oog voor het verschil tussen hogere bewustzijnstoestanden. Dit is inderdaad weinig uitgewerkt in zijn boek, waar hij het alleen over awareness heeft, maar eerlijk gezegd ben ik zelf ook nog niet overtuigd van de uitgebreide hiërarchiën die hierbij, ook door hedendaagse denkers als Ken Wilber, soms worden gehanteerd. Voorlopig vind ik een onderscheid tussen sati, samadhi en nirvana wel zinvol(Batchelor maakt dat onderscheid niet in zijn boek).

Batchelor mag dan wel agnostisch zijn, maar hij gelooft wel onomwonden in het materialisme. Als boeddhist zou hij daar wel kritischer tegenover mogen staan, werpen zijn critici hem tegen. Er zijn nog veel zaken onopgehelderd over de werking van de hersenen en de aard van bewustzijn, maar niettemin denk ik dat Batchelor goede reden heeft om vast te houden aan het materialistisch wereldbeeld. Ten onrechte verwarren zijn critici zijn agnosticisme met scepticisme, wanneer ze stellen dat hij te weinig oog heeft voor saddha (geloof, vertrouwen) en te veel voor panna (onderscheidende wijsheid). Deze disbalans leidt dan tot het gevaar van de creatie van een eigen Dharmaleer in dienst van verlangens. Het is de kritiek van de orthodoxie. Wie kritisch is verdwaalt van het enig juiste pad en zal geen verlossing bereiken. Natuurlijk sluipt er gevaar in het verruimen van de regels. De mens is sterk geneigd zijn krachtige verlangens na te jagen en achteraf goed te praten, waarbij de uiteindelijk schadelijke effecten voor hemzelf en anderen gebagatelliseerd worden. Daarom zijn in weerwil van New Age ook wel degelijk regels nodig. Maar die regels kunnen in een reflexieve samenleving als de westerse (om een term van de beroemde socioloog Beck te gebruiken) alleen werkingskracht hebben als ze gelegitimeerd zijn. Het is onvermijdelijk en goed als de strenge leefregels van de Boeddha op hun merites worden bediscussieerd, zoals ook hijzelf voorschreef. Centrale figuren als de Dalai Lama doen dit gelukkig ook, zoals over de omgang met emoties. Dan blijkt dat soms enige nuance kan worden toegevoegd aan de eeuwenoude wijsheden, meestal op basis van wetenschappelijk onderzoek. Datzelfde wetenschappelijke onderzoek kan die leer overigens ook verder legitimeren met bijvoorbeeld neurologische inzichten.

De vraag is of er een hogere waarheid voorbij de rede is (atakkavaccara). Er zijn in ieder geval ervaringen die (nog) niet voor de rede vatbaar zijn. De Boeddha gaf aan dat zijn inzichten moeilijk overdraagbaar waren en dat dit hem in eerste instantie ook weerhield om ze kenbaar te maken aan anderen. Toch deed hij het. Het boeddhisme is een stelsel van geschriften en haar inzichten zijn dus in woorden te bevatten. Ervaringen of inzichten die dat niet of slechts ten dele zijn, zijn ook voor degene die ze ondergaat niet geheel intelligibel. Dat is een kenmerk van spirituele ervaringen, maar woorden kunnen wel goed duiden hoe de ervaring bij benadering was. Met zijn agnostisch boeddhisme sluit Batchelor dergelijke niet geheel begrijpelijke of verklaarbare ervaringen en inzichten echter geenszins buiten. Het boeddhisme is volgens hem in essentie een redelijke, dat wil zeggen begrijpelijke en door ervaring bewezen theoretische leer, die in de beleving en toepassing door volgelingen echter zeer verschillende manifestaties kent en uiteenlopend ervaren wordt. Manifestaties die niet altijd doorgrondelijk zijn, zich voorbij de rede begeven, maar wel binnen het theoretisch kader passen.

Bewust worden noemt hij een “proces van zelfacceptatie”. Dat wordt hem niet in dank afgenomen. Veel van onze neigingen zouden we juist niet moeten accepteren. Maar ik denk dat die kritiek uit een verkeerd begrip voortkomt. Batchelor bedoelt naar mijn idee dat we al onze neigingen moeten accepteren in de zin dat ze er zijn en ze erkennen, maar dat wil niet zeggen dat we niet tegen sommige neigingen moeten strijden. Dat zegt hij zelf ook; de Dharma moet begrepen worden als een aansporing tot een confrontatie.

Batchelor wijst erop dat het risico bestaat dat zeker een agnostisch boeddhisme geabsorbeerd wordt door andere disciplines, zoals de psychologie. Er wordt al volop geschreven over boeddhistische psychologie, transdencente psychologie, etc. Ook vreest hij een reductie van boeddhisme tot mindfulnesstechnieken. Maar Batchelor stelt tegelijk dat dit toch niet snel zal gebeuren, omdat het boeddhisme niet alleen een psychologie is, maar ook een cultuur met gebruiken die binnen een sangha (gemeenschap) met allerlei nuttige riten wordt beoefend. Het boeddhisme kan een “levend lichaam” zijn van autonome gemeenschappen die een wereldwijd proces van ontwaken bevorderen, als ze maar niet te veel geïnstitutionaliseerd raakt.

Batchelor kan gezien worden als de belangrijkste proponent van een nieuw boeddhisme dat verenigbaar is met een westers wereldbeeld. Het is een gegrond, vernieuwend boeddhisme met een pragmatische inslag, waarbij de vraag wat werkt (om lijden te verminderen, om compassie te geven, om aandacht en nondualiteit te bereiken) centraal staat. Die vernieuwing is belangrijk want in deze wereld met haar klimaat-, geld-, en spirituele crisis is een aansprekend, betrokken boeddhisme als sterke tegenkracht hard nodig.

Bronnen:

-Stephen Batchelor (1997). Buddhism without beliefs

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s