REIS DOOR DE INNERLIJKE RUIMTE

Een reis door Nepal 1996-97

Jampa Gyatso

—————————————————————————————-

De stilte overheerste alles in de Annapurna’s.

Een stilte die bijna hoorbaar leek.

Ik hoorde het zachte geluid van mijn ademhaling en een zwak gesuis van mijn bloedsomloop.

De kou nam toe. Zo hoog en zo dicht bij de gletschers.

Diep beneden ruiste een rivier.

In het zuiden ,onder de glans van de ondergaande zon waren zwakke lichtjes te zien in de bergdorpjes die we enkele dagen geleden gepasseerd waren.

Het goudgele licht leek weerkaatst te worden door de dorre vlaktes van India.

Een late vogel en een roep leek in de verte te klinken.

Ik voelde de toenemende kou en ik trok een extra-dikke trui aan.

Hoog boven mij uittorenend in het laatste licht,schitterde het ijs van de toppen.

Ongenaakbare pieken van meer dan achtduizend meter hoog.

Eigenlijk een mens-vijandige wereld zonder voldoende zuurstof alleen bestemd voor de goden.

Een ongekende rust was in mij gekomen. Een gewaarworden van een zijn met dit alles dat zich slechts schijnbaar buiten mij scheen te bevinden.

Wat deed ik hier hoog in de Nepalese Himalaya , zevendui­zend kilometer van huis? Mijn geliefden onpeilbaar ver weg in het westen en toch zo nabij in mijn hart.

Wat zocht ik tussen schamelgeklede boeren rond een vuurtje dat de avondkou maar net verdrijven kon ?

Voor de boeren was ik waarschijnlijk een wezen uit een ver universum. Of toch niet ? Hun glinsterende donkere ogen straalden een grote vriendelijkheid uit.

Hun glimlach was dezelfde en hun zorgzame aandacht bijna beschamend.

Hun leven was enorm zwaar en ik zou niet met hen kunnen of willen ruilen, maar toch hadden zij iets van de oorspronkelij­ke bestemming van de mens.

Het deerde mij niet meer dat ik mijn linkervoet, mijn vrouwe­lijke kant, zeer pijnlijk verstuikt had en dat ik het gevoel had dat al mijn botten gekneusd waren door het lopen en klau­teren in een van de meest ontoegankelijke streken van deze aarde.

Nee, ik zocht niets. Vond niets en zag alles nu in en rond mij als een zich openende lotus.

Emotie voorbij woorden en een onvergetelijke blik in de pure essentie.

Terwijl de temperatuur tot enkele graden onder nul zakte en de sterren in duizendvoud schitterend zichtbaar werden leek de berg te zeggen : jij bent mij en ik ben jou.

Een behaaglijk gevoel van herkenning was over mij gekomen, die middag toen ik neerstreek in Kathmandu.

Naarmate ik dichter bij Bodhnath kwam voelde ik mij steeds meer thuis.

De taxi hobbelde over de abominabele wegen naar Bodhnath.

Overal rondom verkeer en mensen zoals ik dat kon verwachten in een derdewereldland als Nepal.Het was stoffig in december. Het was de droge tijd. Vrouwen in sari’s en mannen in witte dho­ti’s, mensen met omslagdoeken of dekens krioelden over de rommelige trottoirs. Achter gele muren ontwaarde ik, in deze eerste indrukken , Hindoe-tempeltjes met drietanden en bel­len.

Maar ook een kleine stupa kwam in zicht. Onleesbare opschrif­ten in het Nepali. Maar ook steeds meer in het Tibetaans.

“Put You off at Stupa-gate ,sir ? Road very bad .”

De chauffeur ,een jongen van rond de twintig, had voor het vliegveld gestaan tussen honderden anderen, azend op een ritje voor de westerse toerist die zijn verre land kwam bezoeken.

Ze hielden allemaal bordjes omhoog met bestemmingen.

Hun taxi’s of wat daar voor doorging waren oude Japanse karre­tjes uit de jaren ’70.

“Bodhnath ? sixty rupies !”

Voor 40 rupies was ik nu in deze heilige plaats.

De weg werd nu een aanslag op mijn rug en ik liet mij afzetten op enige tientallen meters van de poort.

Het was heet en een intens zonlicht kleurde het stof en de uitlaatgassen van de verkeersstroom.

Ik zag de eerste Tibetaanse monniken en kreeg een warm gevoel van binnen. Het was duidelijk een Tibetaanse cultuur hier rond de stupa.

Bedelaars volgden mij. Sommigen waren zwaar gehandicapt of verminkt. Ik zette echter een ferme tred in en kwam voor de poort te staan. De poort was versierd met de acht gelukbren­gende tekens en gaf toegang tot een korte oplopende straat met aan het eind het verblindende wit van de grote Stupa van Bodhnath.

Het geluid ,de stank en de hectische massa’s verdwenen als bij toverslag.

Een intens wit licht straalde vanuit de koepel van het heilig­dom.

Boeddha’s ogen keken mij aan. Ik werd stil van binnen.

Rondom de stupa was een cirkel van huizen ,eethuizen en kloos­ters.Een constante stroom van pelgrims liep met de klok mee rond het enorme bouwwerk. Belletjes rinkelden en klokken galmden een metalig geluid. De geur van wierrook en kruiden mengde zich met de lucht van mensen.

Ik liep als in een droom met de stroom mee en werd deel van het voortdurende gebed Om mani peme hung.

Door een open poort betrad ik een van de tempels en deed de buigingen voor Boeddha Shakyamuni. Zijn gezicht straalde een gouden glans uit.

Zijn ogen halfgesloten en zijn mond in een halve glimlach. Onder hem liepen de lijdende wezens, biddend om mededogen en wijsheid. Allemaal ergens op het Pad.

Ik voelde mij hier ,zo ver van huis en helemaal alleen, een met hen. Ik kan de emotie van dat moment niet goed vatten in woor­den omdat het de gewaarwording was voorbij woorden .

Een gebed kwam uit mijn mond: Moge ik ten behoeve van alle lijdende wezens de Verlichting bereiken.

Ik werd gezuiverd en een innerlijke rust kwam in mij. Als op vleugels liep ik rond de stupa. Iedere gebedsmolen een draai gevend. Om Mani Peme Hung , Om Mani Peme Hung !

Veel westerse reizigers spreken over een cultuur-shock als ze landen als India of Nepal bezoeken. Natuurlijk zag de armoe­de,het vuil en de uitbuiting van deze mensen. Maar het shoc­keerde mij niet omdat een ander gevoel in mij opkwam.

Het spontane zien van deze menselijke conditie als deel van het bestaan in onwetendheid. Daarom was ik ook naar Nepal gegaan.

Om mijn gevoeligheid en inzicht te vergroten in het menselijk bestaan dat steeds weer gaat door eindeloos lijden.

Alle lijden is slechts relatief en hangt samen met de eerder ontstane condities en oorzaken.

Om mijn onwetendheid te bestrijden ben ik de weg ingeslagen naar de ontwikkeling van groeiend mededogen. Want alles in de wereld hangt samen met elkaar. Geen levend wezen of fenomeen bestaat op zichzelf. Het realiseren van deze wijsheid van leegte aan inherent bestaan leidt tot een spontaan mede­dogen voor alle levende wezens. Het ego neemt af en ruimte ont­staat. Deze ruimte zag ik dagen in het land van de Boeddha.

Wat verbond mij met het Boeddhisme ? Hoe kon dit in mij zijn opgekomen ? Ik kom uit een niet Boeddhistisch land en heb geen aanwijsbare karmische relatie met de

Dharma.

Hoe het ook zij, ik was mijn Guru tegengekomen in mijn eigen stad op een

zondagmiddag. Hij heeft mij alleen aangekeken en ik heb hem herkend.

In een zeldzaam spontaan moment sloeg ik het voor mij bestemde Pad in en begon een reis die reeds onpeilbare tijden voor dit leven begonnen was.

Er was mij een spiegel voorgehouden en ik durfde erin te kijken.

Ik wilde kijken in een land waar het Boeddhisme nog een leven­de traditie was. Nepal lag dus voor de hand. Hoewel het land voor zeventig procent een Hindoe-land is,zijn er grote Boeddh­istische gemeenschappen van vooral Tibetanen.

Nu stond ik hier bij de honderdacht nisjes met Boeddha-vormen aan de basis van de grote koepel. Dit was het hoogste niveau dat de pelgrim bereiken kon. De voltooiing van de Kora rondom de stupa. De bellen klonken en het geluid van mantra’s drong in mijn oor.

Was ik hier ? Ik met mijn zorgvuldig gekoesterde ego?

Het leek een droom, al die gebedsvlaggen vragend om mededogen in de wind. De traditioneel geklede mensen onder mij en de geuren die ik niet kon thuisbrengen. Even trad ik buiten mijn ego en was ik een met de ervaring.

“Can I take picture, sir ?” Zijn glimlachende gezicht onder de geschoren kruin bracht mij terug naar nu. “Yes ,thank you”.

Ik gaf de jonge monnik mijn camera. Vaardig stelde hij hem in.

Zijn horloge glinsterde in het zonlicht. Opeens zag ik zijn Nikes onder de roodbruine pij. Ik schoot in een wilde lach.

“Very nice picture, tashi delek “.

Hij vervolgde zijn weg op de stupa. Honderdacht mantra’s kwamen uit zijn mala.

Toen ik beneden kwam glimlachte een oude monnik mij uitnodi­gend toe.

Hij gebaarde me naar binnen in het kleine huisje waarin zich een reusachtig gebedswiel bevond. Verwonderd keek ik naar de gekleurde Tibetaanse fresco’s op de muren. In het midden stond het grote wiel met in het oude Lantsa-schrift de grote mantra.

De monnik nam een draai en rende plots zwierend aan het wiel in het rond. Hij leek te vliegen met zijn fladderende ge­waad. Zijn ogen schitterden van pret.

Nu was ik aan de beurt. Ik rende rond en liet mij toen mee­zwie­ren met het wiel.

De monnik riep : Om Mani Peme Hung,Om Mani Peme Hung ! Boven in het wiel zat een bel die bij elke omwen­teling klonk. Kleng,kleng,kleng !

Ik was de mantra geworden en daar was het hem ook om te doen denk ik.

Het Boeddhisme zit vol schijnbare tegenstellingen en de lama’s noemen Dharma vaak een dwaze wijsheidsboodschap.

In deze tegenstellingen kun je je ratio uitschakelen om het enorme innerlijke gebied open te leggen dat de geest is.

Wijsheid bestaat in allerlei niveaus naar gelang de ontwikke­ling van de mens. Veel leringen van de Boeddha waren misschien in het verleden nog onbegrijpelijk omdat ze voor onze tijd bedoeld waren. Zo heeft Padmasambhava veel van zijn leringen als schatten, gTerma zeggen de Tibetanen, begraven voor toe­kom­stige genera­ties.

Het Bardo Thödöl of Tibetaanse Dodenboek is hier het bekendste voorbeeld van.

De vertaling van deze schat van de mensheid door Evans Wentz aan het begin van deze bloedige eeuw kon naar mijn gevoel alleen maar in die tijd plaatsvinden omdat het zo bedoeld was.

Het Karma was rijp geworden voor het kennisnemen van deze schat door mensen buiten het Tibetaanse cultuur-gebied.

We leven in een tijdperk van duisternis. De Dharma is echter nog niet volledig verloren gegaan. Mensen kunnen er nog kennis van nemen. Alles heeft zijn betekenis als je de werking van Karma in ogenschouw neemt. Maar de mens heeft, door zijn unieke geboorte, de kans om het Karma te richten naar de Be­vrijding.

De Boeddha zelf heeft voorzegd dat zijn Leer vijfduizend jaar na zijn Paranirvana verdwijnen zal maar dat de Boeddha Mai­treya reeds klaar staat om een nieuwe Dharma van Verlossing aan de lijdende wezens te schenken.

Het was tegen het eind van de middag en ik keek door de ruit­jes van mijn kleine kamertje in Bodhnath naar buiten.

De bloemen in de tuin bloeiden rood en achter de groene bomen schitterde het gouden dak van het nabijgelegen klooster.

De zon draaide langzaam weg en de weerkaatsing van het gouden dak scheen enkele momenten naar binnen. Het gouden­ licht bewoog zich over de kale, koude muur. Een mystiek aaien als een illu­sie. Boeddha’s geest in de ruimte.

Plots brak er een inferno los van dreunende trommels en klet­terde bekkens met het ratelende getok van de damaroe’s.

De illusie werd doorboord door de kracht van het geluid.

Even abrupt als het begon eindigde het weer, om na een paar minuten afgelost te worden door de diepe klanken van de chan­tende monniken. De tijd had zich in vereniging opgelost.

Pashupatinath is de heilige plaats aan de Bagmati , net buiten Kathmandu waar de doden worden verbrand.

In de schaduw van een pipalboom lagen een aantal saddhu’s te luieren. Hun drietanden behangen met amuletten hielden ze in hun armen. Op hun hoofd liepen de witten strepen van Shiva.

Wilde baarden en lange haren in slierten. Dikke wolken hash stoomden van hen af in mijn neus.

De extase stond op hun gezicht , ze waren op dit vroege uur reeds ape-stoned. Tussen een paar stenen lagen lege- en volle flessen whisky. Heilige mannen die Hindoe tantrische praktij­ken beoefenden op weg naar moksa , de staat van volledige bevrijding en eenwording met het goddelijke.

Een van de saddhu’s stond op en kwam op mij af. Zijn roodom­ran­de ogen probeerden met een priemende blik bezit van mij te nemen. Hij stak zijn hand uit en raakte mijn hoofdkruin aan.

Ik voelde instinctief een afkeer van deze kerel en trok mijn hoofd naar achteren . “Picture,one dollar ,sahib ,one dollar”.

Maar ik voelde er niets voor om hem op het plaatje te zetten en schudde mijn hoofd . Hij bleef aandringen en zijn stinkende adem in mijn gezicht blazen.

Ik maakte mij los en draaide mij om. Waarom gaf ik hem niet zijn zin ? Eigenlijk was ik toch goed beschouwd de indringer in zijn wereld en kon ik hem niets verwijten.

Ik liep sneller door maar hij bleef mij hinderlijk volgen. Toen draaide ik mij abrupt om en keek hem vriendelijk aan en maakte de mudra van gelukzaligheid met mijn handen. Een zon­derlinge ingeving in deze vreemde situatie . De Muni-mantra kwam over mijn lippen en zijn gezicht werd zachtaardig. Glim­lachend maakte hij het begroetingsgebaar met beide handen voor de borst “Namaste , Namaste….”en liep weg.

Beneden steeg op diverse plaatsen rook op van de brandstapels.

Mensen liepen met hun overleden familieleden naar de ghats aan de rivier. Priesters baden de gebeden “Ram ,Ram ,Ram “.

Dit was de werkelijkheid van de dood en het menselijk ver­driet.

Een jongeman liep langs de rivier.

Ik zag een dode man van rond de zestig. Zijn ledematen ver­stijfd en reeds blauw van kleur. Hij droeg een wit doodskleed en op zijn borst de gebruikelijke gele bloemenkrans. Een oog stond half open . Ondanks de warme decemberzon voelde ik me koud . De kou van de dood . Het ontzielde lichaam, als een stuk hout, klaar voor de hitte van het vuur.

Hij werd op de brandstapel gelegd en rondom hem werd gehuild en gebeden.

De dood is universeel en de enige zekerheid in het bestaan.

Naast mij stond plots de jongeman die ik reeds eerder ontwaar­de bij de oever van de Bagmati. In zijn ogen zag ik een intens medelijden. Hij was op deze afstand ,ik kon als niet- Hindoe niet dichterbij komen ,duidelijk intens betrokken bij het schouwspel dat zich ging voltrekken.

De oudste zoon stak de brandstapel aan en het vuur begon zijn verterende werk. Rook kwam uit de bundel die eens een mens was geweest. Het doodskleed brandde weg en rook kwam uit de nu zichtbare borst. De omstanders legden meer hout op het lijk en het duurde lange tijd voordat het lichaam weer te zien was. Alleen de rechterarm stak uit het vuur dat nu in alle hevig­heid om zich heen greep en plotseling staken er sissende vlammen uit alle vijf de vingers. Een welhaast symbolisch gebaar vanuit de dood naar het rijk der levenden !

De jongeman naast mij had zijn handen voor de borst gevouwen en keek met een bijna onaards diepe blik naar de verterende vlammen .

Ik was zeer geraakt en op dat moment tijdloos. Mij bewust van mijn eigen sterfelijkheid en gehechtheid aan dit leven.

Ik verlangde hevig naar verlichting en voelde diep mededogen.

Om mij heen was ruimte ontstaan. Ik was weer alleen.

Ik keek om mij heen en zag de rivier ,de bomen en de blauwe lucht. Twee aapjes op het dak van een tempeltje vlooiden elkaar. Waar was Siddhartha ?

In de late nacht was hij heengegaan. Hij had nog gekeken naar zijn zoontje Rahula dat vredig sliep in de armen van zijn moeder. Tranen stonden in zijn ogen maar zijn besluit stond vast. Op zijn paard Kanthaka verliet hij het paleis van Kapi­lavastu samen met zijn wagenmenner Channa. Hij had alle per­soonlijke banden verbroken, afstand gedaan van zijn koninkrijk en zijn wereldse bezittingen.

Achter hem lag Kapilavastu. In de verte schitterden de met sneeuw bedekte toppen van de Annapurna’s en de Dhaulagiri in het licht van de morgenzon. Voor hem strekte zich een onaf­zienbaar laagland uit doorsneden met rivieren die allemaal

stroomden naar Moeder Ganga.

In het woud hield hij stil. Hij stapte van zijn paard en keek peinzend om zich heen. Toen ontdeed hij zich van zijn schit­terende kleding en hulde zich in de vodden van een passerende zwerver die hij zijn rijke kledij schonk.

Siddhartha had voor het ascetenleven gekozen en als teken van zijn nieuwe leven sneed hij met een scherp mes in één ruk zijn lange haren af.

Hij zond Channa terug naar zijn vader koning Shuddhodhana om hem de boodschap te brengen, dat de prins de wereld verlaten had om zijn ware bestemming te realiseren. Siddhartha was nu alleen. Zijn enige bezit was zijn bedelnap.

Hij keek Channa na terwijl deze zich op Kanthaka wegspoedde naar het noorden.

De vogels zongen uit volle borst hun lied en de mieren kropen in lange rijen over hun vaste paden. De zachte wind speelde met de bladeren. In de verte sprong een hert.

Waar was zijn einddoel nu hij het gewone dagelijkse leven verlaten had ? Siddhartha volgde slechts zijn karma dat geen lot meer was maar een bewuste creatieve daad die hem tot het hoogste inzicht zou doen komen.

Channa was zijn wagenmenner geweest toen hij nog leefde als een prins in de paleizen van zijn vader.

Toen hij, na lang aandringen bij zijn bezorgde vader, toestem­ming had gekregen om het paleis te verlaten was hij staande op, een prachtig versierde wagen en gekleed in schitterende gewa­den de stad in gereden.

De mensen vierden feest omdat zij hun toekomstige vorst konden zien.

Een jongeman van negenentwintig bruisend van kracht en charisma.

Maar op een bepaald moment gelastte de prins Channa te stoppen toen hij langs

de weg een oude man zag staan.

En hij vroeg zijn wagenmenner : “Wie is dit ? Zijn hoofd is wit, zijn ogen tranen en zijn lichaam is verschrompeld. Hij kan zich nauwelijks staande houden, leunende op zijn staf.”

Channa was zeer in verlegenheid gebracht en stamelde tot zijn meester : “Dit zijn de verschijnselen van de ouderdom ,Heer.

Deze man was eenmaal een zuigeling, en een jongeling vol levenslust; maar nu de jaren zijn voorbijgegaan, is zijn schoonheid verdwenen en zijn levenskracht verbruikt”

Siddhartha was zeer getroffen door de woorden van zijn wagen­menner en hij voelde groot mededogen bij het zien van de pijn van de ouderdom. “Hoe kan een mens geluk smaken als hij weet dat het zo zal aflopen ?” vroeg hij zich af.

Ze reden verder door de mensenmassa , die nog steeds hun prins toejuichten. Bloemblaadjes ,opgeworpen door jonge meisjes, dwarrelden door de lucht en verspreiden de zoete geur van jasmijn en rozen.

Maar Siddhartha was in gepeins verzonken en de schouwspelen rondom hem raakten hem niet meer.

Hij ontwikkelde een andere blik op de werkelijkheid die een andere zijde van het leven naar boven bracht.

Zijn blik trof een zieke man langs de weg ,naar adem snakkend, zijn lichaam misvormd en stuiptrekkend en kreunend van de pijn.

De prins vroeg zijn wagenmenner : “Welk soort van mens is dit?”

En Channa antwoordde : “Deze man is ziek. De vier elementen van zijn lichaam zijn verward en niet in goede orde. Wij zijn allen onderworpen aan zulke toestanden armen en rijken, onwetenden en wijzen ,alle schepsels die een lichaam heb­ben, kan deze ramp overkomen Heer.”

En Siddhartha voelde een nog groter medelijden en hij raakte nog meer ontroerd. Alle vreugde in het leven scheen hem nu zo onbeduidend toe. Een gevoel van walging kwam over hem denkend aan zijn leven vol luxe en genot.

Channa zette de paarden aan tot spoed om te ontkomen aan deze akelige beelden . Ze reden tot buiten de stad toen zij plots in hun snelle vaart werden tegengehouden door een overstekende groep mannen.

Vier personen gingen voorbij, een lijk dragend.

Reeds begrijpend vroeg hij toch aan zijn trouwe wagenmenner:

“Wat dragen deze lieden ? Er zijn wimpels en bloemenkransen;

maar de mensen die volgen zijn overstelpt van smart !”

De wagenmenner antwoordde met tranen in zijn ogen : “Dat is een dode man ,Heer. Zijn lichaam is verstijfd ; zijn leven is heengegaan ; zijn gedachten hebben opgehouden; zijn familie en de vrienden die hem liefhadden, dragen nu zijn lijk naar het graf.”

Een grote angst kwam over de prins. “Is dit de enige dode ?”,

vroeg hij, “of zijn er nog anderen zo in de wereld ?”

Channa sprak met bezwaard hart : “Over de hele wereld is dit zo. Hij die het leven begint, moet het ook eindigen. Er is geen ontkomen aan de dood “.

Siddhartha voelde zijn adem stokken en een grote neerslachtig­heid maakte zich meester van hem. “Hoe kunnen de mensen zo verder leven in de waan van alle dag?

Waarom leven zij zo zorgeloos verder ?”

Enige tijd later verscheen er een oude asceet die voor de prins stil bleef staan. Siddhartha keek hem vragend aan. Voor het eerst kwam er een rust en een vrede over hem.

Hij daalde af in grote nadenkendheid en nadat hij zijn rijk­dommen met geringschatting voor zich zag sprak hij :

“Gelukkig zijn zij, die verlossing gevonden hebben”.

“Ik verlang naar echte innerlijke vrede. Ik zal de zaligheid van Nirvana zoeken !”

Die volgende nacht verliet hij Kapilavastu.

De trap van Swayambhunath telt meer dan vierhonderd treden.

Wie hem in een keer beklimt zal de verlichting bereiken.

Maar zo ik het al gekund had , het werd mij door de vele hande­laars en bedelaars onmogelijk gemaakt.

De mensen van Kathmandhu vertellen dat Boeddha een zaadje van een lotusbloem liet vallen in de vallei en dit groeide uit tot de stupa van Swayambu.

Het moet vroeger in geologische tijden een eiland zijn geweest in het meer dat toen de vallei was. Het hele Himalayagebied is geologisch nog erg jong . Toen ik boven was zag ik onder mij de stad en rondom de bergen .Je kon je een vroeger meer heel goed voorstellen . Later aan het meer van Pokhara moest ik hier weer aan denken toen ik het kleine eilandje zag dat in het meer ligt.

Toeristen kennen het Swayambu-heiligdom als de apenrots vanwe­ge de vele apen die er leven. Voor mij was het de plaats van de Adi-Boeddha, de oer-Boeddha die de pure geest beli­chaamd.

Jamyang Khyentse Chökye Lodrö , de grote meester uit Tibet , dichtte over de geest als volgt :

De oorsprong van alle verschijnselen is je geest

Als je niet goed op hem let snelt hij ervaringen achterna,

vindingrijk in spelletjes van misleiding.

Als je er direct in kijkt, is hij vrij van enige basis of

oorsprong, In wezen vrij van enig komen ,blijven of gaan.

Het idee van de Oer-Boeddha als de zuivere geest ligt ten grondslag aan de stupa van de apenrots.

Dit was een uitgelezen plaats om de beoefening van de Dhyani-Boeddha’s uit te voeren.

Ik plaatste uit dankbaarheid voor mijn meester een foto van hem in een van de vier schrijnen aan de voet van de stupa en begon mijn rondgang. Veel pelgrims deden het zelfde en ik ging op in een tijdloos aanwezig zijn met mijn medemensen.

Het heelal dijt uit en de zwaartekracht is het aan het verlie­zen.

Eens, ver na de vernietiging van onze zon en aarde , zal zich in onze sector van het heelal nog maar één elementair deeltje bevinden in een eindeloze leegte en koude.

Misschien zal zelfs dat niet meer het geval zijn.

De energie zal uiteengetrokken zijn tot een oneindige ver­spreiding van hier en daar een deeltje.

Waarom zoeken mensen de koude op in de bergen van deze aarde ?

Naarmate ze hoger geraken neemt de invloed van de dood toe.

Blijf, zolang het kan, in de warme liefde van de laaglanden! Want daar leeft het bewustzijn dat geaard is door de zwaarte­kracht van het mededogen.

De bergen zijn een trotseren van de dood en daarom een spiri­tuele ervaring.

Wie te lang vasthoudt aan dit aardse bestaan zal geen tijd meer resten voor de grote tocht naar de ijle lucht.

Blijf zolang er een ademtocht in je aanwezig is kijken naar die vergezichten van sneeuw en ijs. De grensgebieden van het leven.

Ga ze bezoeken in je medita­tieve staat ,maar keer op tijd terug voor je mede-schepselen.

Uit respect voor de goden draaiden de Nepalese klimmers vijf­tig meter onder de top van Machhapuchare om en daalden af naar

Pokhara. Niemand mag Nepals’ heilige berg bedwingen zodat de mensen beneden kunnen kijken naar haar ongerepte pracht.

Machhapuchare is een spirituele berg gebleven. Een vajra vol energieke kracht.

De tweemotorige Dornier van Everest Air suisde omhoog.

Beneden mij schoof Bodhnath langzaam weg en boven de rand van de heuvels verschenen de sneeuwbedekte toppen van de Himalaya.

Ik zag de weg die ik eerder gelopen had naar het klooster van Kopan. De spitse toppen van de Langtang Lirung en de Langtang Ri in Tibet tekenden zich haarscherp af tegen de donkerblauwe lucht.

Ik was op weg naar Pokhara in het Annapurna-gebied, de uit­valsbasis voor tochten in het berggebied.

De reis door de lucht duurde slechts een uur maar was er niet minder spectaculair om. De dalen waren nog gevuld met mist maar tegen de groenbruine hellingen lagen de ontelbare ter­rasvormige akkertjes waarop de Nepali een schraal bestaan

vonden. In het zuiden lag de Mahabharat Range, een gebergte van gemiddeld tweeduizend meter hoogte dat de drempel van de Himalaya vormt .Ver weg achter die toppen lag het in goudgeel licht badende India. Moeder India de sprirituele krachtcentra­le van Azië.

Het vliegtuigje kende alleen enkele zitplaatsen achter elkaar en bevatte die ochtend slechts tien passagiers. Een charmante dame in sari zat naast mij aan de overzijde van het nauwe gangpad. Haar handen en voeten waren be­schilderd met sierlijke henna figuren. Een zilverrode tika op haar voorhoofd comple­teerde haar prachtige gezicht. Ze leek te voldoen aan alle clichés over de schoonheid van de vrouwen van het subconti­nent. Ik schatte haar een jaar of vijfentwintig ,niet veel ouder. Achter mij zat haar man. Een vroege dertiger met diep­liggende donkere ogen in traditioneel Nepalese kledij.

Voor mij zat een van de piloten en de gedachte kwam in mij op dat als wij nu zouden neerstorten, ik in dit gezelschap zou sterven, hoog in de bergen ,ver van huis.

Ik keek vooral uit het raam naar het hooggebergte maar iedere keer als ik eens richting India keek troffen haar ogen mij.

Ik voelde haar blik in mijn rug en kreeg plots de ingeving om mijn camera om te draaien en een onbeschaamde foto van deze schone te maken. Maar ik deed het niet.

Haar slanke polsen torsten diverse gouden polsbanden die prachtig contrasteerden met haar bruine huid. Ik dorst slechts vluchtig te drinken van haar intimiderende schoonheid.

Dan keek ik weer in de diepte en dacht te genieten van het imposante schouwspel van ongenaakbare toppen.

In haar neusvleugel droeg ze een gouden knopje en als ze haar hoofd draaide naar het raam , flitste het zonlicht op haar neus.

Het goudstiksel van haar rode sari flikkerde driftig in het felle licht en leek haar hele gestalte te electificeren.

We zetten de landing in. Langs de propellor ontwaarde ik de schitterende spitse top van de Machhapuchare.

In een wolk van stof kwamen we tot stilstand. De motoren sloegen af en de deur ging open.Ik draaide uit mijn stoel en stootte tegen haar aan. ” Excuse me I’ m sorry ” prevelde ik.

Ze glimlachte me alleen aan en schudde zacht met haar hoofd.

Nu pas zag ik de met gouden strikken doorvlochten zwarte staart. Ze leek een Bharatanatyam-danseres uit een tempel.

We stapten uit en op het kleine veld liepen twee kleine kleu­ters hun moeder tegemoet. Een van de dochters van Mara had mij in de lucht bezocht.

Het was winter in Europa en 26 graden in Pokhara. De kerstro­zen gloeiden weelderig in de warme zon. Ik liep tussen uitbun­dige tuinen vol bananenbomen en andere exotische planten.

Tussen het groen door zag ik steeds weer de witte toppen van de Annapurna’s en de Machhapuchare. Mijn doel.

Ik was hier in Baidam de uitgestrekte wijk van Pokhara aan het meer.

Sinds de hippie-jaren verrezen hier tientallen hotels en hostels die voor onwaarschijnlijk lage prijzen onderkomen bieden.

Alles was gebouwd in de onmiskenbare beton-skelet­struc­tuur die overal in Nepal opduikt.

Her en der kwam ik zachtaardige koeien tegen die mij rustig herkauwend aanstaarden. Kleine kinderen dreven waterbuffels voor zich uit en glimlachten alleen maar naar mij.

De atmosfeer was hier enorm ontspannen. Zeker in vergelijking met het hectische Kathmandu. De prachtige groenheid van de omge­ving was ook al een sterk contrast met de bruine stoffige bergen in de Kathmandu-vallei.

Ik zocht een hotel en vond Hotel ” Nirvana”.

Het was half rond een weelderige sub-tropische tuin gebouwd. De kamers hadden een buitendeur rechtstreeks uitko­mend in de tuin. Een ongekende luxe in vergelij­king met de sobere behuizing in Bodhnath.

Pokhara kent veel natuurwonderen. Het meer met zijn uitzicht op de toppen watervallen en het Tibetaanse dorpje Tashi Ling.

Maar nu ik hier eindelijk was kon ik mijn blik niet afwenden van het grote doel:

de bergen.

Woorden schieten tekort voor de aanblik van deze enorme mas­sieven. In de winter is het de helderste tijd. Pokhara is in de natte tijd het natste deel van Nepal. Maar nu zag ik de spitse zeven- en achtduizenders met een ongekende scherpte.

Het leek of ik ze zo kon aanraken.

Mijn verlangen om tussen hen te zijn zou spoedig realiteit worden. Ik dacht aan mijn platte vaderland ver weg in het westen, dat nu van hieruit werkelijk het avondland was, en zag Machhapuchare langzaam oranje worden in het stervende licht.

Maar in de nacht scheen de maan op haar witte flanken. De berg leek een natuurlijke stupa ,zoals Kailash achter de Himalaya in Tibet. Ik kon haar kracht bijna voelen.

Niemand kan onbe­roerd blijven bij zo’n schouwspel.

“Ze zitten hier maar in de tuin en staren naar de toppen “,zei de hotel­eigenaresse, een Engelse die gehuwd was met een Nepa­lees.

“Geen foto in de wereld kan dit weergeven. Ik woon hier al vier jaar maar elke dag is het anders. Ik voel me klein bij de berg.”

Gekleed in een sari met haar tweejarig dochtertje op haar arm, blonde haren en gebruind gezicht zag ik haar wijzen naar de berg.

De blik van het kind volgde haar vinger en bleef toen even gericht op de reuzen.

Hier miste ik mijn vrouw en dochtertje. Dit had ik samen willen bele­ven.

Ik raakte van mijn stuk en voelde tranen langs mijn wangen lopen. Ik huilde van ontroering. Mijn kleine leven scheen mij nietig en ik twijfelde aan mijn vermogens. Overmorgen zou ik op trek gaan in die woestenij maar ik voelde angst.

De eenzaamheid die ik altijd als bron van meditatie en inzicht koesterde was nu knellend.

Irrationele gevoelens kwamen op in mijn geest. Gevoelens van schuld en pijn.

Ik keek door mijn tranen heen naar de Himalaya. Haar pracht leek onvergankelijk. Maar alles is vergankelijk. Dus ook dit.

Wat waren mijn emoties ? Een sluier voor mijn geest. De geest die alleen maar liefde en vrede is.

Boeddha Manjushri steeg op in een cirkel van licht.In zijn linkerhand een lotus met daarop het boek van de Transcendente Wijsheid Prajnaparamita.

En met een enorme zwaai van het vurige zwaard in zijn rechterhand kliefde hij de wolken.

We vertrokken in een taxi richting Phedi.

Een stoffige weg langs de brede, maar nu bijna uitgedroogde rivier.

Raju was mijn gids. Hij was een jonge Nepalees die voortreffe­lijk Engels sprak.

Hij kende het gebied op zijn duimpje en was reeds vele malen rond de Annapurna – keten getrokken en nu ging hij met mij zijn vierde trip naar het Heiligdom maken.

Het Annapurna – Heiligdom is een op meer dan 4000 meter gele­gen bergkom in het hart van het massief, rondom omgeven door de hoge toppen en hun gletschers.

Voor het volk van de Gurung dat hier leeft is het een heilige plaats. Het viel nog te bezien of we het basecamp op 4130 meter zouden kunnen bereiken.

Voor geoefende lopers is het wel te doen , maar het was al eind december en de kou en mogelijke sneeuw gecombineerd met mijn niet zo fantastische geoefendheid zou ons kunnen beperken.

Ik hoefde mijn bagage niet te dragen want dat deed Hari de drager. Hari was door Raju ingehuurd en de twee hadden al vele treks samen gemaakt. Ik ging dus op stap met twee ervaren begeleiders.

In de taxi hobbelden we naar ons startpunt bij Phedi.

Plots rende een zwarte kat rakelings voor de auto over de weg .

De chauffeur maakte een grapje :” Slecht voor uw karma me­neer”

Ik lachte. En met een zeker bravour om de twijfels wat weg te poetsen lachte ik het incidentje weg.

De bruine vallei werd nauwer en de bergwanden steiler. Ik schatte mijn krachten in. Dit had ik nog nooit eerder onderno­men.

Links van ons verscheen een Tibetaans klooster. Ik zag de gebedsvlaggen stil hangen in de windstilte . Kraaien cirkelden boven een eenzame boom. Hier en daar in de droge rivierbedding liepen mensen met hun vee. De zon maakte op deze vroege och­tend lange schaduwen. De lucht was helder blauw.

We stopten in Phedi. Twee muzikanten begroeten ons met krakend gezang en iets wat leek op een tweesnarige viool.

Raju en Hari bleven voor hen staan en plaatste mij in het midden. De mannen zagen er haveloos uit en roken naar alcohol.

Maar toch, waar wordt je nog voor een bergtocht uitgeleide gedaan met muziek ?

Voor mij torende een rotswand met daarin een eindeloze trap.

De trap naar Dhampus dat zo’n zevenhonderd meter hoger lag .

Dit was een goed begin. Nog nooit had ik een zo steile maar vooral lange trap beklommen. Aangekomen in Dhampus was ik reeds totaal uitgeput. Maar er zou nog meer volgen en door het trekken train je je tekorten, met veel pijn weg.

Ik was in de Himalaya !

We gebruikten de lunch, bestaande uit brood en dal badh, in Dhampus.

Raju en Hari scharrelden wat rond bij het hok waar op een petroleumvergasser gekookt werd. Zelf zat ik aan een ruwhouten tafel uit te puffen. Ik zou gaan merken dat zij het als hin­doe’s moeilijk vonden om met mij samen te eten. Alleen als ik hen uitnodigde kwamen ze bij mij aan tafel zitten. Deze gere­serveerdheid had niets onvriendelijks maar kwam voort uit hun culturele bewustzijn van gastvrijheid en misschien ook wel een taboe om met niet-hindoe’s samen te eten.

Het begrip zuiverheid kent in Azië vele betekenissen en connota­ties.

We trokken verder door een steeds meer stijgend landschap van bamboebossen en landbouwterrassen. Soms passeerden groepen dragers met enorme manden aan voorhoofdsbanden met daarin onvoorstelbare zware lasten. Sommigen liepen op blote voeten met een geweldige behendigheid.

Ze liepen etapes van rustplaats naar rustplaats. Zo’n rust­plaats bestaat uit heuphoge muren waarop de last kan rusten.

Tussen Dhampus en Patana gaat de route steeds meer omhoog en het hellingspercentage neemt navenant toe. Ik zweette peentjesmet mijn kleine rugzakje op mijn rug en begon de hoogte te voelen in mijn longen.

Aan het eind van de middag stapte ik mis. Ik hield mij aan mijn stok vast maar ging pijnlijk onderuit. Mijn linker voet was verzwikt en door het verkeerd ombuigen gekneusd.

Het gewricht begon op te zwellen en na enige tijd kon ik mijn schoen nog maar amper aan. Slecht karma dus.

Het lopen werd een pijnlijke aangelegenheid. Vooral het afda­len belastte mijn enkel en knieën nu zeer nadrukkelijk.

Alleen een compres en rust zou soelaas kunnen bieden.

Een gevoel van ergernis en kwaadheid, besefte ik ,had geen enkele zin. Het inzicht kwam in mij dat ik hier iets van zou kunnen leren. Niets is toevallig .Ik zou het moeten doorstaan. Tegen schemering strompelde ik het gehucht Patana binnen.

Het hostel was een houten hok met ruwhouten bedden achter een deur vol kieren met een hangslot.

Ik strompelde naar binnen en legde mij te rusten.

Na een uurtje opende ik de luiken van het glasloze raam en zag in de verte, schitterend in de avondzon, Phewa Tal het meer van Pokhara. Ik droomde weg. De eerste dag in de bergen was ik al geveld . Maar wat een belevenis was deze dag .Ik was tevre­den en wachtte af op wat zou komen.

Raju klopte op de deur. “Kom ,het eten is klaar. Eet eerst en dan gaan we je enkel genezen “. Dit leek mij een goed idee.

Na de rijst met kerrie en spinazie hinkte ik naar een vuur dat door enkele dorpelingen gestookt werd. Het begon koud te worden.

Ik maakte mij vreemd genoeg geen directe zorgen over mijn enkel hoewel de terugreis op dit moment onmogelijk scheen.

Raju en Harri zaten bij de dorpelingen rond het vuur.

Er werd zware tabak gerookt en misschien ook wel wat anders.

Gegroefde donkere gezichten keken mij aan.

Even kreeg ik de gedachte dat dit wel eens verkeerd zou kunnen aflopen. In de reisgidsen die ik geraadpleegd had werd Patana omschreven als een gehucht waar je maar beter snel doorheen kon gaan vanwege het gespuis dat het op rijke westerlingen voorzien had. Maar de mannen keken mij met open blik aan en glimlachten mij tegemoet. Bovendien leek het dat Raju hen goed kende gezien de geanimeerde Nepalese conversatie met elkaar.

Een magere man gekleed in tradionele dhoti schoof aan op het bankje.

“He, cure you “, sprak de ronde kerel naast mij.

De genezer glimlachte met een restant tanden mij toe. Zijn hoofd schuddend zoals alle mensen op het Indisch subcontinent dit gewoon zijn. Hij gebaarde naar mij en ik stak mijn dikke voet naar hem toe. Met een heel voorzichtige, haast delicate beweging haalde hij de schoen los van mijn voet.

Hij warmde zijn handen aan het vuur en begon een pijnlijke massage. Ik verstrakte maar liet mij niet kennen.

De warmte van zijn handen was heilzaam en schiep vertrouwen.

Hij begon mantra’s te zingen en sloot zijn ogen. Het was of zijn gebed uit zijn helende handen kwam.” Om…….”

Ik was in de handen van een Hindoe healer en moest mij overge­ven aan zijn liefdevolle aandacht.

Plots hield hij op. Raju zei me dat ik mijn broekspijp moest oprollen en vlak bij het vuur moest gaan zitten.

De healer nam mijn been beet en trok het door de vlammem. Ik schrok maar ik behield mijn vertrouwen. Het was welliswaar een snelle beweging maar de hitte van de vlammem drong pijnlijk diep door en de haartjes op mijn enkel schroeiden weg.

Vuur is voor de Hindoe’s een heilig element en dit bleek wel want de healer en de omstanders baden gebeden. Genezing door Agni.

Een jonge jongen kwam aanzetten met bossen brandnetels, duide­lijk bestemd voor mij.

Mijn enkel was nu tien keer door de vlammen gegaan en zag er vuurrood uit. Met een vochtige doek werd om de gezwollen enkel gedraaid en ik kreeg even rust.

Ik dronk een fles bier en trok mijn zware Tibetaanse trui aan tegen de kou. De sterren flonkerden in de invallende duister­nis.

Het was nu tijd voor de brandnetelbehandeling.

Ik strekte mijn voet op een bankje en de healer begon hem te kastijden met een bundel brandnetels. Ik beet op mijn lip van de pijn. Deze brandnetels waren wel heel pijnlijk. Maar de hitte doorstroomde mijn gewricht. Echt een natuurgeneeswijze.

Met de hand wreef hij het stekende goedje in mijn huid.

Snel de sok weer aan en klaar was de behandeling.

Iedereen lachte en ik ook als een boer met kiespijn.

We namen nog een slok en warmden ons aan het vuur. In de verte blafte een hond. Het was windstil. Iedereen zweeg.

Een geweldig bewustzijn van dit moment in de Himalaya kwam over mij. Tijd leek stil te staan. Alles was altijd al zo geweest. Ik pakte het kleine zakje met de miniatuur Boeddha Amitabha uit mijn borstzak en gaf hem aan mijn weldoener.

Dit kleine beeldje was mij als een beschermer door een vrien­din uit de Sangha meegegeven. Met een korte blik werd het geschenk aanvaard. De volgende morgen was mijn enkel als vanouds.

In de vroege morgen lieten we Patana achter ons en begon een lange klim omhoog door een prachtig woud.

We moesten in de middag de opgaande vallei van de Modhi Khola

bereiken steeds hoger het Anapurna-gebergte in.

De machtige hoge bomen leken op de woudreuzen in de Rocky Mountains en stonden in diepe varens. Stenen glinsterden in de vele stroompjes die naar beneden vielen in dit steile terrein.

Als ontbossing hier zou toeslaan zou de ramp niet te overzien zijn. Hier op twee en een half duizend meter groeien nog complete bossen. Anapurna ligt dan ook maar achtentwintig graden van de evenaar. Het was nu de droge tijd maar in de moesson is het terrein onbegaanbaar vanwege de extreme regen en zijn de bergpaden door modder onbegaanbaar. De moesson is ook de tijd dat ontelbare bloedzuigers zich vastzuigen aan je huid en zwermen insecten de Himalaya tot een marteling maken voor de reiziger.

Het pad kende ook enkele rustplaatsen voor de dragers.

Met stenen heeft men op rughoogte plekken gemaakt waar de dragers hun korf staande even kunnen neerzetten om bij te komen van hun bijna onmenselijk zware last.

Ik zag ze staan met hun pezige magere lichamen badend in het zweet. Sommigen hadden gelige ogen en leken te lijden aan allerlei ziekten. De korven en manden overbelastten door de voorhoofdsdraagriemen de nekwervels van deze ongelukkigen.

Maar zij zijn de enige vorm van transport in dit deel van de Himalaya. Op de terugweg zag ik wel een muildieren – en paar­denkaravaan maar de menselijke dragers blijven de belangrijk­ste bron van transport in dit moeilijke terrein.

Ik dacht vaak aan mijn fortuinlijke geboorte en een latere ontmoeting met dragers versterkte mijn dankbaarheid.

De dragers leven van de trekkers die hun voedsel, drank en brandstof nodig hebben.

Tegelijkertijd zijn de trekkers behalve een bron van inkomsten voor duizenden Nepali, ook een gevaar voor het precaire ecolo­gische evenwicht in de Himalaya. Het koken op hout in plaats van op de duurdere benzine is een directe aanslag op de wouden die op veel plaatsen al verdwenen zijn. Nepal heeft het even­wicht tussen economisch overleven en ecologisch overleven nog niet gevonden. Het Annapurna Conservation Area is een stap in de goede richting vooral omdat het de bergbewoners zelf inzet in de bescherming van het gebied. Overal zag ik bronnen die door de vrouwen van een nabijgelegen dorp geslagen waren en onderhouden werden. Maar ik zag ook in prachtige stukken natuur het lelijke aangezicht van een vuilnisbelt van plastic flessen leeggedronken door toeristen die zich niet bewust zijn van de gevolgen van hun gedrag. Raju vertelde over trekkers die zich beklaagden over de stijgende prijs van het bier naarmate men verder weg en hoger de bergen introk.

Ook het zweet van de drager heeft een prijs.

In de verte verscheen het ijs van de vele gletschers onder een donkerblauwe lucht. We liepen onder de westelijke rotswanden van de Machnapuchare over een smal pad. Ik voelde mij sterk en gezonder dan ooit. De achtduizend meter hoge toppen staken scherp af tegen de koude lucht. Het blauw van Boeddha Akshobya die alle haat zuivert in mededogen en liefde.

Ik kon er geen genoeg van krijgen en bleef tot in de nacht kijken hoe scherpe helderheid langzaam vervangen werd door roze zachtheid en roodgele gloed die plots overging in ijs­blauw. De lucht werd diepzwart fluweel met duizenden diamanten in haar plooien………………..

Het is heel onwerkelijk om temidden van de reuzen van de Himalaya te staan als je twee weken daarvoor nog in je huiskamer zat.

De moderne mens kan door de revolutie in het verkeer binnen 48 uur waar ook ter wereld heen gaan. Het diepe groen en bruin onder aan de voet contrasteerde met het geel en grijs van de hogere delen van de berg, maar geen scherper overgang dan van het helwit van het ijs naar het staalblauw van de hemel. Een blauw dat dicht bij zwart vertoeft en dat glinsterend een illusie schept van eindeloze diepte.

Koud universum zonder einde.

De Dharma spreekt al 2600 jaar van de leegte van de fenomenen en van de helderheid van de oorspronkelijke geest. Blauw is de symboolkleur van de verlichting. De tantrische Boeddha Vajradhara heeft de kleur blauw en van de vele visioenen is het blauwe visioen de beste metafoor voor de waarheid van het helder licht.

De mystieke glans van de zuivere berglucht die , indien lang geobserveerd , tot een spontane visualisatie van Vajradhara kan leiden.

Ik liep de hellingen omhoog en daalde weer af om weer te beginnen aan de volgende vermoeiende klim , maar langzaam kwam ik op steeds grotere hoogte .

De lucht werd ook steeds ijler en mijn hart en longen kregen het steeds harder te verduren.

Over een wiebelende hangbrug liepen we ritmisch ,om het schommelen tegen te gaan, naar de overkant van de vallei. Onder ons daverde het wilde water van de bergstroom. Een koude luchtstroom daalde over ons neer en mijn gezicht ervoer de kou van de schaduwzijde en de stekende zonnewarmte aan de andere kant.

Mijn handen waren koud en even stilstaan gaf zo’n kou dat je wel in beweging bleef.

Helderheid van geest wordt nooit geassocieerd met hitte maar altijd met koude.

Misschien omdat in de kou het lichaam vooral warmte bewaart voor de vitale organen.

De benen en armen kunnen onderkoeld raken terwijl romp en hoofd nog op temperatuur blijven.

Het centrum van het lichaam is het hart en als onze elementen gaan oplossen blijft de hartstreek het langst op temperatuur. In ons hart zetelt ons kostbare bewustzijn, niet in ons hoofd.

Ons hoofd creëert ons lichaamsbewustzijn maar ons hart is de zetel van onze geest.

De Tibetaanse yogi’’s beheersen hun lichaamswarmte door de opwekking in de meditatie van het tummo of kundalini-vuur. De innerlijke energie die door oefening beheerst kan worden en yogi’’s in de extreemste koude warm houdt. De hele Himalaya en Tibet zitten vol van verhalen over meesters die tummo beheersten en soms naakt doorbrachten in de bergen zonder bevriezing. Ook westerlingen zoals de Francaise Alexandra David – Neèl beheerste op haar reis door het Tibet van de jaren twintig deze techniek. De menselijke geestelijke mogelijkheden zijn onbeperkt.

In de verte verscheen een huisje . De buik regeerde nu mijn bewustzijn en mijn maag deed verlangen ontstaan naar warm eten. Hari sneed een stok , Raju praatte met de boer die een mand aan het vlechten was en ik verlangde naar mijn portie rijst met groenten en warme thee.

We waren stil en lieten de omgeving op ons inwerken. Mijn voet bleef wat pijnlijk maar ik durfde mijn schoen niet uit te doen. In de rijst zaten vreemde bruine dingen en de groente bevatte zand.

Het was twee uur in de middag ,we moesten de pleisterplaats voor de nacht nog bereiken . Een klim van ruim zeshonderd meter, een uurtje of drie . Het pad intimideerde me maar er was geen alternatief en ik deed dit toch mijzelf aan. Of niet soms ?

Het kamertje in het berggehucht Chinundanda had een raampje op het zuiden en het laatste licht van de dag scheen flauw naar binnen. Ik nam de Boeddha uit mij rugzak en plaatste Hem op een tafeltje. Voor de Boeddha in Bhumisparsa-mudra plaatste ik de bel en de vajra.

In een bergweide had ik wat gentianen geplukt en gele bloemen die ik niet kon thuisbrengen maar die op een soort mini brem leken. Het licht weerkaatste op het goud van het beeld en de offergaven. Ik keerde in mijzelf en nam toevlucht tot mijn Guru.

De beelden kwamen voorbij in mijn meditatie : de zwoegende mensen , de vuile mensen , de arme mensen, de lijdende mensen. De weergaloze wreedheid jegens dieren en de bloedoffers aan Kali. De bedelaars en de glimlachende monniken. Een eindeloos lint van tijd. De uitgestrekte wouden met hun wilde dieren , de wind en het ijs.

Ik doolde er verbaasd rond alsof ik er geen deel van was. Beelden uit mijn jeugd. De conflicten op school en het verzet tegen mijn ouders, de heftige emoties van de puberteit , de verliefdheid en de liefde , de diepe angst om dood te gaan. De eerste keer dat ik in wanhoop alleen in een stil bos in de Belgische Ardennen ging kamperen in de veronderstelling dat alleen in de confrontatie met mijn angst ik verlossing zou kunnen vinden. De nachtelijke dierengeluiden die mijn angst alleen maar vergrootten. De droom van ratten op mijn nek. Ik reed op mijn motor de eindeloosheid van het Franse landschap in op de vlucht voor….

Ja, voor wat eigenlijk ?

Voor verantwoordelijkheid ? Of voor de spiegel ? De spiegel die genadeloos is of wijsheid ? De angst mijzelf te zijn en kwetsbaar te worden zag ik in de spiegel die mijn Guru mij liefdevol voorhield.

Al dit vasthouden aan diepe illusies van zelfbeelden en het rondstrooien van valse imago’s. In ieder mens is de potentie tot verlichting . Is vrede.

Ik zag de beelden uit mijn gedachten en zag ze als beelden uit mijn gedachten. Ik liet ze voorbij komen en hechtte er niet aan. Ze losten één voor één op in leegte.

Zo zat ik daar met mijn slaapzak om mij heen in meditatie verzonken.

Een flakkerend kaarsje voor het boeddhabeeld en een thermometer die steeds dieper zakte onder het vriespunt. Het maakte niet meer uit waar ik was. Een lotus van zuiverheid was mijn zetel en een vajrasfeer van kristallen zuiverheid omhulde mij op dat tijdloze moment.

Een hels kabaal van dronken mensen onder mijn kamertje deed mij ontwaken. Het was half elf in de avond en minus tien graden. Het waren de lokale bergbewoners die eerder die dag vanuit de richting van Chomrong aangekomen waren, beladen met manden en plastic zakken. Ze zaten nu rond het enige vuurtje dat er was in de keuken.

De slaapzak beschermde mij tegen de elementen maar niet tegen dit lawaai. Dus stond ik op en kleedde mij aan. Ik sloot mijn kamertje af met het hangslot en sloop de trap af naar beneden. De maan scheen ongelooflijk helder op de toppen van de

Annapurna South en de lucht was diepzwart vol sterren die bijna plukbaar leken als diamanten op een fluwelen mantel.

Ik liep naar de landpunt die hoog boven de splitsing van twee bergstromen uitstak. Het dronkenmansgeluid stierf weg en het geluid van stromend water diep beneden bracht alles weer tot rust. Hoog boven mij in het rijk der goden schoven ijswolken langs de toppen. Ik begon mij nu thuis te voelen in de bergen.

Ja, de berg was mij en ik was de berg !

Vroeg in de morgen liepen we met een badhanddoekje de helling af naar de rivier.

De bemoste bomen waren weelderig begroeid met parasitaire planten met de meest uitzinnig bloeiende bloemen. Vogels floten totdat hun gefluit ten onder ging in het donderende geraas van de rivier.

Stoomwolken stegen op uit de zijkanten van de rotswanden. Ik was bij de vulkanische bronnen in het Annapurna-gebied. De nog jonge geologie van het Himalaya gebergte schenkt de mens het genoegen van geneeskrachtige hete bronnen. Vlak bij de rivier ontwaarde ik een kunstmatig aangelegd bassin waarin het hete water stroomde. Er was niemand. Raju en Hari gingen mij voor en doken in het hete water dat licht naar zwavel rook. Toen ik eenmaal in het heerlijk warme water lag voelde ik de weldadige werking ervan op mijn knoken en mijn zwaarbelaste spieren. Hier kon ik het wel uren uithouden. Ik had al weken geen bad meer gehad. In New Delhi was het de laatste keer geweest. Daar was het water uit de kraan geelgroen en kwam ik er smeriger uit dan dat ik erin ging.

Ik droomde weg. Best wel raar hier hoog in de Himalaya in een warm bad !

Toen ik bij kwam uit mijn droom keek in het lachende gezicht van een Japans zakenman uit Kobe.

Zijn korte gedrongen hoofd met kaalgeschoren kruin begon tegen mij te spreken :

“Very nice meeting you .“

“I am from Kobe , Japan .“

“You from?”

“Holland “, zei ik ietwat verbouwereerd.

“You job ? Me , stockmarket “.

“Oh I am a teacher .“

“Teacher , very honourable job.”

Ik glimlachte en doopte mijn hoofd nog even onder.

Hij scheen in gepeins verzonken en stuwde plots een golf water in mijn richting als een kind dat wilde spelen. Ik moest ook wat en spatte terug met een luid “banzai”.

Het ritueel was voorbij en ik staarde met mijn Japanner minutenlang naar de blauwe lucht. Tussen de bladeren van de bomen door schitterde het fel witte ijs van de berg.

“Market today very good “, zei hij plotseling . “Make me very rich !”

“You are now on a holiday ?” informeerde ik beleefd.

“Very nice day indeed ,yes “,hij knikte met zijn hoofd. Zijn Engels was beperkt. Op een grote platte steen observeerde ik zijn teenslippers en rode handdoek.

Hij hees zich plots op uit het water en op de kant boog hij diep voor mij.

“Teacher very honourable “.

Na enige goodbyes liep hij in een kimono langzaam naar boven. Ik zag hem bij de hoogst zichtbare rots de hoek omgaan. De enige echte Himalaya-Japanner.

Raju verscheen en vertelde mij dat het bassin eerst ergens anders had gelegen maar dat het een paar maanden geleden bedolven was in een aardverschuiving.

Ik keek naar de dreigende rotsblokken boven mij en kreeg de snelle behoefte om de bronnen te verlaten.

“Ben je nu uitgeluld over dat Nepal van jou ?”

Ik keek haar aan met een schaapachtige blik. “Nou eigenlijk niet maar ik zal er wel over ophouden.Het heeft mij nou eenmaal sterk getroffen , die reis”.

“Dat Nepal van jou is een corrupt middeleeuws land met een achterlijke bevolking die zich laat onderdrukken door een smerige kliek politici die alleen op zelfverrijking uit zijn”.

Het was al drie jaar geleden dat ik er was geweest en nog steeds liet het mij niet los.

Op een of andere manier was het leven daar voller geweest voor mij. Ik zou echter niet willen ruilen met het leven van Raju of Hari. Die ploeterden door het gebergte om toeristen een “onvergetelijke ervaring” te geven. Ze zijn daar goed in geslaagd.

Toch in de poel van verderf , in het vuil van armoede en onrecht groeit steeds weer de lotus van de zuiverheid. Haar tere bloembladen worden nooit vuil. Zij blijven zuiver in een wereld die vol is van lijden en achterlijke onwetenheid.

Jonge monnikjes renden na de puja door de straatjes van Bodhnath gillend en energiek zoals jonge kinderen zijn. Zij leren over de zuivere lotus en de weg naar bevrijding die voor eenieder open staat. Een ieder die er open voor staat. Nu nog is Nepal een land waar de vanzelfsprekendheid van die boodschap levend is gebleven. Al 2600 jaar !

In onze van materie en agressie verziekte welvaartsparadijzen is het veel moeilijker het Pad te gaan dat Siddhartha koos. Hoe meer wij door verzekeringspolissen , comfortabele huizen en andere welvaartsiconen proberen samsara te bemeesteren hoe verder wij af komen te staan van het werkelijke doel van het leven

“Spiritualiteit is volgens jou dus alleen echt mogelijk als je de mensen arm houdt ?”

“Nee, zo ver wil ik nou ook weer niet gaan. Ik stel slechts vast wat ik waarneem. En formuleer het probleem alleen maar.”

Ik zit in de middagzon op een grasveldje op de grote kaap met onder mij de donderde rivieren die van de Annapurna en de Hinchiuli afrazen

Achter mij ligt het gehuchtje Chinudanda. Vlak voor mij graast een buffel. Ze kijkt me met haar grote ogen even verbaasd aan .De lucht hier in de bergen is geweldig zuiver en ik kan mijlenver zien tot in India.

Jullie zijn dicht bij me en misschien is er nog nooit zo’n rust in mij geweest en zo’n geweldige innerlijke vrede. De tijd is niet meer, samsara staat stil. Hier en daar een vogel en diep onder me spelen in de bergwei een paar paardjes.Nooit eerder was ik zo gezond.Sinds mijn aankomst in Nepal leef ik op rijst ,groenten en brood en drink ik thee. Mijn darmen zijn ontspannen , mijn longen gevuld met zuivere lucht , mijn geest in vrede.Ik wil dit doorzetten en voor jullie allemaal integreren in het dagelijks leven.

Boeddha zei in een van de soetra’s : alleen te zijn in het nu en vrede zal je resultaat zijn.

’s Nachts reist mijn geest naar de ijzige hoogten waar geen zuurstof meer is ,aan de rand van het heelal. Een donkerblauw als fluweel schitterend licht omkranst de volle maan. Zijn hoofd is getooid met de gouden tantrische kroon. Zijn lippen raken de lippen van Ishvahari die met haar benen om zijn lendenen gekneld één is in wederzijdse gelukzaligheid en leegte.

Vajradhara kruist zijn bel en vajra in zijn omhelzing . De mystieke eenheid in verlichting.

Dit mystieke blauw is voorbij woorden……..

De temperatuur nam elke dag af en de tocht vervolgen naar het basecamp leek steeds onwaarschijnlijker. We keerden dus om en begonnen aan de lange afdaling naar de warmte.

Waar je in de Alpen in een dag weer beneden bent zou het hier minstens drie dagen duren.

Ik had mijn doel niet bereikt. Of toch wel ? Het is maar hoe je het bekijkt.

In Gandrung die avond was er gelukkig plaats in de lodge.De laatste westerlingen in dit seizoen waren Australische trekkers met veel drank en lawaai. Het coca cola gehalte nam weer toe. Maar innerlijk werd ik niet meer geraakt door verstoring. Achter mij lag het majestueuze panorama van de bergwereld. Annapurna South, Hinchiuli en Machnapuchare in mijn hart gesloten.

In de dikke ochtendmist verschenen langzaam de contouren van de tempels en paleizen

in het prachtige Bhaktapur. Ochtendgeluiden en gedempte stemmen in de stad waar gemotoriseerd verkeer geen toegang heeft. De tempelbellen klinken in de verte en ik begin mijn wandeling op die eerste dag van 1997. Overal lopen vrouwen in hun sari’s met wollen omslagdoeken door de koude straten naar het plein voor de Dattatraya-tempel om offergaven te brengen. De mannen staan aan de andere zijde zacht met elkaar te praten en roken hun sterk geurende tabak. Op de eerste verdieping van het houten restaurant hangen mensen loerend over de balustrade. Een gewijd moment. Eenheid van mensen en goden. Lichtstralen van de zon dringen door de oplossende mist en spelen op het gouddraad van de sari’s. Vrouwen als offergaven. Mannen als toeschouwers.

Dertig gezichten glimlachen mij aan als ik dichtgepakt als sardienen in een blik terugreis per trolley-bus naar Kathmandu. Waar ik vandaan kom en hoe ik Nepal vind. Weet u wat de afkorting N E P A L betekent ? Never End Peace And Love ! Yes sir !

Buiten zie ik het TBC hospitaal voorbij komen. Lange rijen staan buiten te wachten. De bomen zijn dor maar in de velden staan bloemen.Voor de obligate hutjes en lemen bouwsels spelen kleine kindjes.

Als je alleen reist zijn de indrukken die je opdoet heel intens.Je bent niet afgeleid door een ander en in de ontmoeting ontmoet je die vreemde ander ook veel sterker. Maar dan worden de indrukken te veel en neemt de behoefte aan afzondering weer toe.

Ik keerde dus weer terug naar het Lotus Guesthouse bij de stupa van Bodhnath.

De rust van de tuin en mijn kleine cel. De geluiden uit het klooster en de kora’s om de stupa brachten mijn geest weer tot rust en concentratie.

Ik heb niets bereikt met mijn trip naar Nepal. Niets viel er te bereiken, dan er simpel te zijn in het nu van toen. Ik heb niet kunnen voorkomen dat er overal veel geleden werd. Ik heb niet de dood kunnen voorkomen van dierbaren. Nee, er is niets bereikt. Ik had ook de juiste houding weten te ontwikkelen namelijk nergens aan te hechten. Niets te willen bereiken.

Ik was de berg en de berg was mij. De herinnering aan de reis en haar ervaring is slechts een herinnering. Een her-inneren van gebeurtenissen die niet meer bestaan. Nepal was Nu.

Door niets te willen bereiken heb ik de waarheid van dit inzicht een beetje gerealiseerd.

De wijsheid van de leegte aan inherent bestaan van alle fenomenen wat meer benadert.

Door iets te willen bereiken ontneem je je zelf de directe ervaring die een blik is op de boeddha die de lijdende wezens overvaart naar de overkant.

Hoog in de nachtelijke lucht staarde ik naar beneden.Grote duisternis met hier en daar een lichtvlek . Afghanistan en Iran diep in de duisternis. Wie de aarde vanuit de ruimte bekijkt ziet dat het licht zich vooral concentreert in de economisch bruisende gebieden van onze planeet.

Hier beneden was niets dan duisternis. Ik stelde mij voor dat ik hier neer zou storten en het zou overleven. Ik trok de deken , die ik van de charmante stewardess van Air India gekregen had , wat meer over mij heen.

De film was al een uur geleden gestopt en het licht was gedimd. Iedereen in de jumbo leek te slapen en ik had het gevoel alleen wakker te zijn boven de duisternis.

Daar beneden was armoede en moord en doodslag en religieuze achterlijkheid.

Hierboven suisde ik met de grote vogel naar het overdadige schetterlicht van het westen.

EINDE

Advertenties

Eén reactie »

  1. Een klein geschenkje, als dank voor jouw verhaal. Metta, marianne

    Meditatie op de Lotus.

    Stil drijvend op het water.
    Gebonden, maar zich daar niet tegen verzettend.
    Één voor één ontvouwen zich de blaadjes,op de juiste tijd.
    Forceer ze niet, dan kwets je de bloem.
    Houdt de groei niet tegen, dan stoor je de natuur.
    En dan…. op het juiste moment
    zal de bloem zich openen en haar hart tonen.
    In alle kwetsbaarheid openbaart zich dan
    wat zo lang verborgen was,
    Nu toegankelijk voor een ieder die er oog voor heeft.
    Open, zuiver en gereed om te geven.
    Wetend dat wat te geven is al geen eigendom was!
    Zuiver gebleven tijdens het hele proces
    van ontworstelen aan modder en groeien naar het licht.
    En nu klaar voor de werkelijke taak: Schoonheid zijn
    De Lotus verzet zich niet tegen haar wezen.
    Kijk goed!

    12-7-2009 , Marianne

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s