Categorie archief: GESCHIEDENIS

Boeddhisten en geweld

Standaard

image

Door Jelle Seidel – Boeddhistisch Dagblad

Dit artikel is eerder verschenen op de website van de Stichting Vrienden van het Boeddhistme.
Zijn boeddhisten per definitie pacifisten? Af en toe kom je een uitspraak tegen als de volgende:

‘Ik heb een grote behoefte aan ultieme geweldloosheid. Niet een beetje, maar zoals de Dalai Lama zegt totaal. We moeten er niet mee sjoemelen. In Birma martelen soldaten boeddhistische monniken. Voor sommigen is dat verwarrend, die soldaten zijn toch ook boeddhisten. Maar dat is niet waar, ze liegen. Boeddhisten volgen geen opleiding in het moorden of niet vermoord worden. Nog nooit zijn in naam van de Boeddha soldaten een land binnengevallen.’
Hans de Booij in Boeddhistisch Dagblad, 29 juni 2012

Ik heb over zulke opvattingen mijn bedenkingen gehad sinds Brian Victoria eind jaren negentig onthulde hoe verstrengeld de Japanse zenbeoefening was met de Japanse oorlogvoering in de twintigste eeuw. Hier volgt een pleidooi voor meer realisme en voor minder utopisme: erken de feiten en construeer geen zuivere leer.

Buddhist Warfare – Michael K. Jerryson & Mark Juergensmeyer

Historisch is er een aantal ‘boeddhismes’ met een enorme diversiteit aan beginselen, praktijken en volgelingen. Om die te begrijpen als het gaat om gebruik van geweld moet je hun relaties met de staatsmacht in hun omgeving bestuderen. Wat ook nuttig is, is goed kijken naar de houding van de Boeddha zelf, en wat hij onderwees. Hij was geen pacifist, maar leerde mensen zelfonderzoek. Dat maakt nederig.

‘Geweld vind je in alle religieuze tradities; daar vormt het boeddhisme geen uitzondering op. (…) Diverse boeddhistisch tradities kennen een lange geschiedenis van geweld,’ schrijft Michael Jerryson in de inleiding van Buddhist Warfare (2010). Hij wil bovenal de misvatting bestrijden dat boeddhisme alleen maar vredelievend is. Achterin het boek staat zelfs een lijstje met boeddhistische oorlogen, van de jaren 402-517 (boeddhistisch geïnspireerde revoltes in China) tot 2002-2010 (boeddhistische soldaten in Thailand werken undercover als volledig gewijde monniken).

‘Boeddhistische’ oorlogen zijn er op uiteenlopende plaatsen gevoerd: Tibet, Mongolië, Japan, China, Sri Lanka, Thailand, en om allerlei redenen. Er zijn specifiek religieuze oorlogen. De boeddhistische gemeenschap moet bijvoorbeeld worden verdedigd tegen aanhangers van andere religies. Tradities vechten hun ideologische geschillen uit. Ketters worden bestreden.

En er zijn burgeroorlogen en andere oorlogen. Boeddhistische leiders verlenen legitimiteit aan staatsoptreden tegen rebellen. Boeddhistische organisaties leveren actieve ideologische en praktische bijdragen aan oorlogvoering door hun almachtige staten. Vaak gaat het om monniken die vechten als soldaten. In door burgeroorlog gevaarlijke gebieden worden kloosters soms door de staat zodanig beschermd dat ze veranderen in militaire forten. Hoe groter de verwevenheid tussen staat en sangha, hoe groter de kans dat monniken meevechten of op zijn minst de soldaten zegenen.

De zuivere leer

Je kunt dit probleem wegredeneren door te zeggen dat boeddhisten die dit doen geen echte boeddhisten zijn. Dat doet Brian Victoria in zijn bijdrage in Buddhist Warfare, en sommige geleerden zijn dat in hun bijdragen met hem eens. Maar over het algemeen is de teneur van dit boek een andere: het is historisch niet gerechtvaardigd om een ‘echt’ of ideaal boeddhisme te construeren.

Al vanaf de tijd van de Boeddha (ca. 490-410 v.Chr.) bestaat er ambiguïteit in boeddhistische geschriften en praktijken over het gebruik van geweld tegen personen – fysiek, symbolisch of door feitelijk sociaal gedrag (dus meer dan alleen oorlogvoering). Het voorschrift voor de boeddhist is weliswaar overduidelijk: geen levende wezens doden noch verwonden. Maar er bestaan soetra’s, zoals de Satyakaparivarta Soetra en de Suvarnaprabasha (Gouden Licht) Soetra, die staatsgeweld tot op zekere hoogte legitimeren.

De koning wordt in de teksten gebonden aan hoge ethische normen, en daarom wordt vooral de Gouden Licht Soetra vaak geprezen. Maar in dezelfde soetra staat dat de koning – als het nodig is – wel degelijk geweld mag gebruiken. Hij moet bedreigingen van de sociale orde kunnen bestrijden. Oorlog voeren, doden en zelfs marteling zijn toegestaan, mits uit compassie. Wetsovertreders moeten worden gestraft naar de zwaarte van hun overtreding, desnoods met de dood.

In historische geschriften worden allerlei redenen genoemd waarom doden met compassie onder voorwaarden geoorloofd is. Als de intentie en de geesteshouding maar goed zijn, zou de daad zelf niet meer tellen. Kun je eigenlijk wel doden als alles en iedereen één is? In het Mahayana-boeddhisme bestaat de leer van de Twee Waarheden: in absolute zin doden wij niet, maar in dit relatieve samsara, het aardse bestaan, kun je soms niet anders.

Naast redeneringen ter rechtvaardiging van geweld tegen andere mensen is er de gewelddadige mythologische symboliek. Zo staat de bodhisattva Vajrapani symbool voor de gewelddadige onderwerping en bekering van Mahesvara, een niet-boeddhistische godheid.

Barak op Thais tempelterrein

De leer is dus niet altijd zo zuiver. En de praktijk is vaak moeilijker dan de leer. Het boeddhisme kent, net als andere religies, een enorme diversiteit aan beginselen, praktijken en volgelingen. Boeddhisten belijden overal de Vier Edele Waarheden, maar hun stromingen en scholen interpreteren die op zeer uiteenlopende wijzen.

Er is geen door iedereen onderschreven canon. Ook als het over boeddhisme en geweld gaat, hebben we te maken met het gedrag van een grote verscheidenheid aan personen die zich boeddhist noemen of lid zijn van zeer diverse boeddhistische organisaties. En ze zijn ook staatsburgers.

Boeddhisme en staatsmacht

Tijdens het leven van de Boeddha moest de sangha zich al verstaan met heersers van kasten, koningen en generaals. Boeddhistische tradities ontwikkelden zich niet in een vacuüm, maar binnen een van meet af aan gepolitiseerde omgeving. De Boeddha zelf werd geboren in de kaste van krijgslieden en kende het politieke systeem waarbinnen zijn sangha moest functioneren. Zijn monniken gedroegen zich aanvankelijk binnen het grondgebied van de heersers in zijn regio als een soort onschendbare buitenlandse diplomaten.

Maar niets voor niets: de sangha moest balanceren tussen gehoorzaamheid aan de eigen voorschriften en gehoorzaamheid aan de wetten van de heersers. De relatie met de staatsmacht moest goed gehouden worden, ook om financiële redenen. Dat gaf morele spanningen over het gebruik van geweld en op den duur ontsporingen. Volgens Jenkins, Maher en Xue Yu in Buddhist Warfare komt de leer van het ‘doden met compassie’ uit deze spanning voort. Het aanvankelijke verbod op het wijden van soldaten tot monniken kon historisch niet altijd worden volgehouden.

Zegening militairen in Sri Lanka

Staten hebben zo hun behoeften, zeker naarmate ze groter, centraler en machtiger worden. Staatssteun aan de sangha, met kloosters als staatsvrije sfeer, vereiste steun van de sangha aan de staat. Het tot op zekere hoogte legitimeren van het gebruik van geweld was daarvan een voorbeeld. De sangha had weinig invloed, dus dan maar proberen om de verschrikkingen van oorlogen binnen redelijke grenzen te houden. Deze opvatting valt ook te lezen in preken van monniken in Sri Lanka voor soldaten in de recente oorlog tegen de Tamils.

In dit precaire evenwicht tussen staat en sangha gingen de boeddhistische tradities geregeld over de schreef door de Dharma te verwarren met staatsbelang, nationalisme en patriottisme. Voorbeelden te over in Buddhist Warfare, van de Mongolen en de vijfde Dalai Lama in de 17e eeuw tot de ‘soldaten-zen’ in het Japan van de 20e eeuw, het Chinese boeddhistische nationalisme tijdens de Koreaanse oorlog in het midden van de vorige eeuw en de huidige conflicten tussen boeddhisten en moslims in Thailand. En Birma, kunnen we sinds 2012 aanvullen.

Het gaat niet alleen om morele keuzen van individuen. Boeddhistische tradities opereren nu eenmaal in een politiek krachtenveld. Het is belangrijk deze omstandigheden te begrijpen.

Wat de Boeddha onderwees

Velen menen dat boeddhisten ook pacifisten behoren te zijn, waarbij pacifisme wordt opgevat als een levenshouding die elke vorm van geweld verwerpt, om welke reden dat geweld ook toegepast wordt. Paul Fleischman, vipassanaleraar in de traditie van S.N. Goenka, is het hier niet mee eens. In een beschouwing onder de titel The Buddha Taught Nonviolence, Not Pacifism analyseert hij wat de Boeddha hierover onderwees.

Volgens Fleischman zijn er fundamentele verschillen tussen de geweldloosheid die de Boeddha predikte en het pacifisme. De Boeddha onderwees geen sociale of politieke filosofie, maar een individuele levensweg. Geweldloosheid, zo min mogelijk schade berokkenen, is geen geloofsregel, maar een praktische noodzaak als je de Weg wilt gaan. De Boeddha stimuleerde eenieder op pad te gaan, en hij erkende daarbij verschillende niveaus van persoonlijke ontwikkeling, uiteenlopende sociale rollen en verplichtingen, verantwoordelijkheden en dwingende omstandigheden. Kortom, hij onderwees iedereen al naar gelang zijn karma.

Met koningen en generaals heeft hij – soms zelfs hartelijke – relaties, maar hij vermeed politieke betrokkenheid. Hij veroordeelde hen niet, noch adviseerde hij deze machthebbers om hun politiek te veranderen of hun posities op te geven. Wel moedigde hij hen aan om hun werk te doen met een zuivere geest en een pad te gaan van compassie en harmonie.

Soldaten vroeg hij naar hun motivatie. Kun je het doden baseren op liefde voor wie je beschermt in plaats van op haat voor wie je bestrijdt? Geweldloosheid is een levenslange persoonlijke opdracht. Je moet anderen niet veroordelen, maar juist hun geweldloze potentieel zien. Geweldloosheid is niet hetzelfde als passiviteit. Soms zijn harde acties nodig om kwaad te beteugelen. Het gaat om de intenties die erachter zitten.

De Pali Canon beschrijft de Boeddha als een wandelaar op de Middenweg tussen directe betrokkenheid bij specifieke politieke (gewelds-)kwesties – maar zover liet hij het zelf nooit komen – en tot medeplichtigheid leidende aanvaarding van onrechtvaardigheid. Ook dat probeerde hij te vermijden.

Het geweld in ons

Het is verleidelijk om een ideaal, moreel hoogstaand boeddhisme te construeren en de werkelijkheid daartegen af te zetten. Maar waarom boeddhistische soldaten veroordelen?

Op de laatste bladzijde van Buddhist Warfare zegt de Japan-deskundige Bernard Faure: ‘Het is hoog tijd ons de vraag te stellen of boeddhist zijn niet juist een confrontatie vereist met het geweld dat steeds dreigend en kernachtig aanwezig is in de werkelijkheid (en in ieder individu), in plaats van het probleem te omzeilen door hoog van de metafysische en morele toren te blazen.’

Een mooie conclusie, lijkt me zo.

Dit artikel werd al eerder geplaatst in het Boeddhistisch Dagblad, op 17 april 2013. Jelle Seidel is vorig jaar overleden.
Bronnen

Jerryson, M.K., Juergensmayer, M. (eds.) Buddhist Warfare. New York: Oxford University Press, 2010. Met:
Michael Jerryson: Introduction;
Paul Demiéville: Buddhism and War
Stephen Jenkins: Making Merit through Warfare According to the Arya-Bodhisattva-gocara-upayavisaya-vikurvana-nirdesa Sutra;
Derek F. Maher: Sacralized Warfare: the Fifth Dalai Lama and the Discourse of Religious Violence
Vesna A. Wallace: Legalized Violence: Punitive Measures of Buddhist Khans in Mongolia;
Brian Daizen Victoria: A Buddhological Critique of ‘Soldier-Zen’ in Wartime Japan;
Xue Yu: Buddhists in China during the Korean War (1951-1953);
Daniel W. Kent: Onward Buddhist Soldiers: Preaching to the SriLankan Army;
Michael Jerryson: Militarizing Buddhism: Violence in Southern Thailand;
Bernard Faure: Afterthoughts.
Schliff, H.M., ‘A Review of Buddhist Warfare’
Fleischman, P. The Buddha Taught Nonviolence, Not Pacifism. Samenvatting – Gratis E book

De droom van een Ontwaakt India

Standaard

image

Het sociale boeddhisme van Ambedkar

Kees Moerbeek

In India leven op dit moment zo’n acht miljoen boeddhisten; velen daarvan zijn dalits (onaanraakbaren). Na het verdwijnen van het boeddhisme van het Indiase schiereiland tussen de tiende en dertiende eeuw herintroduceerde Ambedkar het boeddhisme in India. Zijn doel was om hierdoor het traditionele kastensysteem te beëindigen en het land om te vormen tot een ontwaakte samenleving. Daar is ‘Babasaheb’ te vroeg voor overleden, maar hij heeft dalits hun menselijkheid teruggegeven. Baba is een respectvolle term voor (groot)vaders en oudere mannen in het algemeen, nog respectvoller gemaakt door er ‘saheb’ (mijnheer) aan toe te voegen.

‘Vandaag de dag worden de Indiërs geregeerd door twee verschillende ideologieën. Hun politieke ideaal is vastgelegd in de preambule van de grondwet dat een leven verzekert van vrijheid, gelijkheid en broederschap. Hun sociale ideaal dat belichaamd wordt in hun geloof (het hindoeïsme red.) ontkent dit.’ Dit citaat is de dalit en neo-boeddhist dr. Bhimrao Ramji ‘Babasaheb’ Ambedkar (1891-1956) ten voeten uit.

‘Babasaheb’
Kastendiscriminatie is sinds de onafhankelijkheid van India in 1947 ongrondwettelijk. De regering is wettelijk verplicht een beleid van positieve discriminatie te voeren om de maatschappelijke achterstand van de dalits op te heffen. Ondanks de geboekte verbeteringen is weinig vooruitgang bereikt. De ‘onreine’ dalits, zoals onaanraakbaren zichzelf noemen, worden immers nog steeds buitengesloten, vernederd, mishandeld, verkracht en vermoord.

De (mede)auteur van de Indiase grondwet, dr. Bhimrao Ramji ‘Babasaheb’ Ambedkar, is de held van de Indiase dalits. Hij werd geboren in 1891 en behoorde tot de onaanraakbare Mahars. Zijn vader en grootvader waren militairen in Britse dienst, waardoor hij naar school mocht gaan. Hij was een van de eerste dalits met een universitaire opleiding. Door in woord en daad als jurist en politicus op te komen voor de rechten van onaanraakbaren verwierf Ambedkar grote faam. In 1930 organiseerde hij een processie naar de Kalaram Tempel, in Nashik (deelstaat Marahastra). Dit was om voor hindoe dalits toegang af te dwingen tot deze tempel. Toen de processie de tempelingang bereikte werd deze door de autoriteiten gesloten. Dit weerhield Ambedkar niet zijn strijd voor gelijkberechtiging voort te zetten, integendeel.

Massabekeringen

Al zijn hele leven heeft Babasaheb belangstelling gehad voor het boeddhisme. Hij raakte er steeds meer van overtuigd dat de discriminatie van de kasteloze dalits onlosmakelijk verbonden is met het hindoe kastensysteem. In de jaren vijftig van de vorige eeuw nam hij deel aan internationale boeddhistische congressen in Birma en Ceylon (Sri Lanka) en ontmoette de Sri Lankaanse monnik Hammalawa Saddhatissa Maha Thera. Na verschillende publicaties over gelijke rechten voor onaanraakbaren en de rol van het boeddhisme hierbij, bekeerde Ambedkar zich op 14 oktober 1956 tijdens een massaceremonie tot het boeddhisme. Zijn vrouw en hij ontvingen volgens de traditie van een boeddhistische monnik de Drie Geloftes en Vijf Voorschriften van een boeddhistische monnik. Vervolgens ging hij over tot de bekering van zijn 500.000 aanwezige aanhangers. Hij schreef de 22 geloftes voor, na de Drie Juwelen en Vijf Voorschriften. Drie dagen na het afronden van het manuscript van The Buddha and His Dhamma overleed hij, op 6 december 1956.

Sinds zijn dood hebben duizenden Indiase dalits zich bekeerd tot het Ambedkar(ite) Buddhism (Ambedkar boeddhisme). Hindoe critici omschrijven deze massale bekeringen als politieke stunts. Leiders van de dalit partij Bahujan Samaj Party (BSP) beklagen zich, omdat zij vanwege deze massabekeringen afgeschilderd te worden als anti-hindoe en anti-brahmaan. In sommige deelstaten zijn deze massabekeringen verboden, bijvoorbeeld in Gujarat waar de hindoe nationalistische Bharatiya Janata Party (BJP) het voor het zeggen heeft.

Conflicterende wereldbeelden

Mangesh Dahiwale wijdt in Rethinking Karma, the Dharma of Social Justice een hoofdstuk aan het werk van Ambedkar en het Ambedkar boeddhisme. De geschiedenis van India en van ‘kaste’ is niet anders dan het conflict tussen de wereldbeelden van brahmanen en boeddhisten. De brahmaanse (=Arische) invasie van India omstreeks 1500 voor Christus was het begin van dit conflict. De Ariërs hebben een stelsel van varna’s (varna = kleur) ingevoerd; de viervoudige indeling van de samenleving waaruit het latere kastenstelsel zou zijn ontstaan.

De verdeling van het kastensysteem in brahmanen, krshatriya’s, vaisya’s en shudra’s gaat terug tot de Rig-Veda, die geschreven zou zijn tussen 1700 en 1100 voor Christus. Het is de oudste van de vier canonieke, heilige hindoeteksten, die bekend staan als de Veda’s. Ze bevatten de door God aan de mensheid geopenbaarde eeuwige en universele kennis.

De historische Boeddha leefde in de zesde eeuw voor Christus in de Spiltijd (800 tot 200 v. Chr.) In zijn tijd bestond weliswaar een systeem van verschillende sociale klassen, maar geen star kastensysteem. Deze Spiltijd was een van de vruchtbaarste periodes uit de geschiedenis. Het was de tijd van onder andere Boeddha, Socrates, Confucius, de profeet Jeremia, Mencius en Euripides. Zij brachten grote veranderingen in de godsdienst en filosofie teweeg, die tot op heden de basis van de beschaving vormen. Zij leefden in verschillende delen van de wereld en hadden geen contact met elkaar, maar de grote overeenkomst is dat zij hun heil niet zochten in (theologische) leerstellingen. Zij predikten dat mensen hun egoïsme en hebzucht, hun gewelddadigheid en liefdeloosheid moesten laten varen voor een leven van mededogen. De Spiltijd was over zijn hoogtepunt heen toen dogma’s en verplichte leerstellingen de overhand kregen.

Tijdens het 140-jarige bestaan van het boeddhistische Mauryaanse rijk (ongeveer 321 tot 185 v. Chr.; een van de keizers was de beroemde Ashoka ) verloren de tot dan toe machtige brahmanen veel aanzien en macht. Zij hebben volgens Ambedkar met generaal Pushyamitra samengezworen om hun hegemonie te herstellen. Met de moord op keizer Brhadratha, Ashoka’s kleinzoon, greep Pushyamitra de macht en een bloedige vervolging van het boeddhisme begon. Hij was de eerste koning en stichter van de brahmaanse Shunga dynastie. Het was als een contrarevolutie tegen de omwenteling die de Boeddha teweeg bracht.

Na deze machtsovername werden gezaghebbende brahmaanse teksten geschreven om het boeddhisme te bestrijden. Deze sanctioneren de fundamentele sociale ongelijkheid van het hindoe kastesysteem. De meest gezaghebbende en omstreden bron is de Code van Manu (Manu Smṛti of Mānava-Dharmaśāstra). Volgens de overlevering is dit ‘wetboek’ geopenbaard door Brahma zelf. Het gaat in dit korte artikel te ver om Ambedkars beschrijving van het verdere verloop van het conflict te beschrijven.

Ambedkars Navayana

Om het boeddhisme aan de passen aan de moderne tijd had Ambedkar twee opdrachten: 1. het zuiveren van het boeddhisme van vreemde, met name brahmaanse invloeden, en 2.het bevrijden van zijn volk van geestelijke en sociale slavernij om een democratisch maatschappelijk systeem mogelijk te maken.

Om de Indiase kastesamenleving te veranderen is een sangha nodig, die niet per se monastiek is. De sangha die hij voor ogen had bestaat ook uit leken. Het fulltime bezig zijn met de dharma, zoals monniken doen heeft voordelen, maar ook nadelen. Het parttime bezig zijn met de dharma, zoals leken doen, heeft dat ook. Beide kunnen elkaar aanvullen en op het rechte pad houden. Een van de redenen dat het boeddhisme verdween uit India is juist het verval en verdwijnen van de monastieke sangha.

Dalit protest
David Brazier roept de vraag op wat de Boeddha beoogde na zijn verlichting. Brazier is van mening dat de Boeddha een ontwaakte samenleving tot stand wilde brengen. Dahiwale ziet hierin een overeenkomst met Ambedkars visie. Boeddha’s belangrijkste doel is het beëindigen van het lijden, maar Ambedkar herformuleert dit en verbreedt dit tot de hele samenleving. Kort gezegd: de Dharma beoogt iemand in een boeddha te veranderen en de wereld in een sangha. Zijn visie op boeddhisme noemt hij Navayāna (= nieuw voertuig), die toepasbaar is op alle samenlevingen. Omdat dr. Bhimrao Ramji ‘Babasaheb’ Ambedkar te vroeg overleed kon hij slechts het fundament leggen van deze sangha.

Erfenis

De Britse monnik Sangharakshita (Dennis Lingwood) heeft na Ambedkar’s overlijden meegeholpen leiding te geven aan diens neo-boeddhistische beweging in India en heeft zijn gedachtengoed verder uitgewerkt. Terug in het Verenigd Koninkrijk was hij mede-oprichter van de Friends of the Western Buddhist Order (FWBO) en de Indiase Trailokya Bauddha Mahasangha Sahayaka Gana (TBMSG). Nu heet TBMSG/FWBO Triratna Bouddha Mahasangha, een internationale neo-boeddhistische beweging met 60 centra op vijf werelddelen.

The Karuna Trust bijvoorbeeld, werkt sinds 1980 voor Indiase dalits door fondswerving voor sociaal werk en Dharma-projecten op het gebied van onder andere onderwijs, als ‘education hostels’ voor dalit kinderen in steden en vrouwenwerk, waaronder microkredieten, onderwijs en vrouwenrechten.

Een ander voorbeeld is het Jai Bhim Network in Hongarije. Sinds 2007 werkt dit network aan de maatschappelijke integratie van Roma door bijvoorbeeld onderwijs en runt meer dan zes scholen, zoals de dr Ámbédkar Gimnázium (dr. Ambedkar Highschool). Bij deze ontwikkelingsactiviteiten wordt gebruik gemaakt van de ervaringen met het werk voor Indiase dalits.  

Dalits: de verschoppelingen van India

Volgens de volkstelling van 2011 leven in India officieel 201,4 miljoen onaanraakbaren of kastelozen. Scheduled Castes and Tribes (SC’s) heten ze officieel, maar ze noemen zichzelf vaak dalit. Het Sanskriete ‘dal’ betekent gebroken, uitgesloten en onterecht.

Hun totale aantal wordt geschat op 300 miljoen op een bevolking van 1,2 miljard. Dit komt omdat moslims en christenen onder hen niet meegeteld zijn. Omdat ze niet geregistreerd zijn kunnen zij geen beroep doen op de wettelijke beschermingsmaatregelen. Meer dan driekwart van de SC’s woont op het platteland. Dalits leven ook in Bangladesh, Nepal, Pakistan en Bangladesh.

De Australische organisatie Walk Free, dat slavernij bestrijdt schat dat er wereldwijd 29,8 miljoen slaven zijn. Daarvan leeft bijna de helft, 13,9 miljoen, in India. Dit zijn Dalits en Advisi. De laatste zijn etnische en in stamverband wonende groepen, waarvan aangenomen wordt dat zij de oorspronkelijke bewoners van het Indiase continent zijn. In 2001 waren er ruim 84 miljoen Advisi. Zij behoren ook tot de ‘Scheduled Castes’.

Het kastensysteem was oorspronkelijk een beroepenhiërarchie, die voorkwam uit de arbeidsverdeling. Onder invloed van sommige brahmanen en sociaaleconomische ontwikkelingen degenereerde het systeem. Kenmerkend voor het traditionele hindoe kastensysteem is de fundamentele erfelijke ongelijkheid. Mensen worden ingedeeld in verschillende sociale groepen op basis van hun afkomst. Er zijn vier grote verschillende kasten, die onderverdeeld zijn in honderden subkasten met hun eigen rangorde en leefregels.

Omdat dalits buiten het traditionele kastenstelsel gesloten zijn, worden ze als ‘onrein’ gezien en behandeld. Zij zijn veroordeeld tot de minste baantjes, zoals het opruimen van dode mensen en dieren, het ontstoppen van riolen, het schoon maken van toiletten en het wassen van kleren, die zijn bevuild met bloed of uitwerpselen. Ze moeten buiten het dorp wonen en leden van andere kasten willen niets aanraken wat aangeraakt is door een dalit.

Aanranding, verkrachting en gedwongen tempelprostitutie van dalitvrouwen komen op het Indiase platteland geregeld voor; in de grote steden handel is in dalitvrouwen voor commerciële prostitutie in opkomst. Zij die hiervan aangifte willen doen worden vaak weggestuurd door politieambtenaren, die vrijwel altijd van een hogere kaste zijn.

Bronnen
22 Vows of Dr. Ambedkar
J. Watts (ed). Rethinking Karma, the Dharma of Social Justice. Chiang Mai (Thailand): Silkworm books, 2009.
Caste problem
Meet world’s Number 1 slaveholder: India
Website Karuna
Website Jai Bhim Network

Oldest Buddhist shrine holds clues to Buddha’s birth

Standaard

Lieu de recueillement sur le toit

There are about 500 million Buddhists worldwide, but it’s unclear exactly when in history this religion began. The Buddha’s life story spread first through oral tradition, and little physical evidence about Buddhism’s early years has been found.

Now, scientists for the first time have uncovered archaeological evidence of when the Buddha’s monumentally influential life occurred. Excavations in Nepal date a Buddhist shrine, located at what is said to be the Buddha’s birthplace, to the sixth century B.C.

The research, published in the journal Antiquity, describes the remains of a timber structure about the same size and shape as a temple built at the same site in the third century B.C.

Archaeologists also found reason to think that a tree grew at the center of this ancient structure, lending support to the traditional story that the Buddha’s mother held onto a tree branch while giving birth to him.

“This is one of those rare occasions when belief, tradition, archaeology and science actually come together,” lead study author Robin Coningham, professor at Durham University in the United Kingdom, said at a press briefing Monday.

If this study is correct, the Buddha’s actual life could have overlapped with a popularly recognized time frame of 563-483 B.C. But lots of other date ranges for the Buddha have been tossed around — some scholars say 448 to 368 B.C., for instance. (The UNESCO website about his birthplace says 623 B.C.)

“We know the entirety of the shrine sequence started in the sixth century B.C., and this sheds light on a very long debate,” Coningham said.

A place for pilgrims

The Lumbini site in Nepal is one of four principal locations that are believed to be connected with the Buddha’s life. Bodh Gaya is where he is became enlightened, Sarnath is where he first preached and Kusinagara is where he died.

Lumbini is located in “a subtropical chain of forests, marshes and grasslands” between Nepal’s border with India and the Siwalik Range of the Himalayas, according to the study.

Historical documents from Chinese travelers show that pilgrims made the journey to Lumbini for many centuries.

The site was lost and stopped attracting pilgrims after the 15th century — no one knows why — but Lumbini was rediscovered in 1896. It was declared the birthplace of Buddha because of a sandstone pillar there, dating from the third century B.C. The pillar’s inscription states that Emperor Ashoka visited this site of Buddha’s birth.

Scholars say the more modern Maya Devi Temple at Lumbini, named after the mother of Buddha, was constructed on top of the foundations of more than one earlier temple or stupa, which is a dome-shaped Buddhist monument.

One of those older temples dates back to the third century B.C., from the time of Emperor Ashoka. But there’s also evidence of the even earlier temple, which appears to have covered about the same size and shape as the Ashokan temple, Coningham said.

The earliest site

Beneath remains of the Ashokan temple, archaeologists found a series of postholes from where timber posts had rotted out.

“Indeed, our excavations have demonstrated that the earliest construction at Lumbini appears to have comprised a timber fence or railing marking a cardinal direction,” the study authors wrote.

The central, open portion of the most ancient temple appears to have housed a tree, based on the discovery of large fragments of mineralized tree roots. This part of the temple also had never been covered by a roof.

To establish the dates of the earliest Buddhist shrine at Lumbini, Coningham and colleagues analyzed charcoal found within postholes, as well as sand. Different techniques used on each of these materials pointed to the same conclusion of the sixth century B.C., but the postholes indicated a range of about 800 to 545 B.C.

“If the postholes at Lumbini are indicative of a tree shrine, ritual activity could have commenced either during or shortly after the life of the Buddha,” the study authors wrote.

Julia Shaw, archaeologist at University College London, applauded the research but noted in an e-mail that other ritual frameworks existed at the same time as early Buddhism, which could complicate the conclusions of the study.

“It would be difficult to determine whether the tree shrine in question was intended for the worship of the Buddha or was part of a distinct cultic context,” she said.

But Coningham said that it’s unlikely that this earlier structure belonged to a different spiritual tradition, other than Buddhism, because of the “continuity” of the site between the sixth century B.C. and third century B.C. structures. The Ashokan temple is clearly Buddhist, and the earlier shrine had the same footprint.

“Often when you have sites of one religious activity overtaken by another, you actually get quite dramatic changes within orientation, within use of structure,” Coningham said.

Moreover, before the sixth century B.C., the area where the site is was just cultivated land, he said.

The new archaeological research on the Buddha’s life will be featured in a National Geographic documentary called “Buried Secrets of the Buddha” premiering in February. The National Geographic Society partly funded the research.

Buddhism Fast Facts

When Buddha lived

Buddha was born as Siddhartha Gautama, in the gardens of Lumbini in Nepal. His parents were wealthy. At age 29, he renounced his family and became a seeker, Coningham said. According to tradition, Buddha found truth when he sat down under a tree, which is now called the Bo tree.

The Buddha happened to be born during a period of dramatic change, Coningham said. Coins were introduced, urbanization was occurring and a merchant class emerged.

When the Buddha died at age 80, he recommended that all Buddhists visit Lumbini, study authors said.

Today, more than a million pilgrims visit Lumbini each year. The new research, in uncovering layers of history, adds new dimensions of interest to the site.

Follow Elizabeth Landau on Twitter at @lizlandau

source : CNN.com

Amazing 1903 photos

Afbeelding

An incredible set of pictures taken during the controversial 1903 British Mission to Tibet has come to light – the first ever photos to come out of the mysterious country.The rare snaps were taken by an officer during the campaign – the first time the British were given access to the country.They depict the haunting beauty of the secluded country and brought images of Tibeten landscapes including Mount Everest to the west for the first time.The 72 stunning pictures show local people, buildings and even a group of nuns gathered to smile for the camera.

The pictures date from the notorious expedition of Edwardian adventurer Francis Younghusband in 1903-04 and gave the western world their first glimpse of life in the hidden kingdom

The photographs were painstakingly pasted into an album and stored carefully, passing down through his family over the years
The Council of four in the Potala palace. The fleeing Dalai Lama left these officials behind to negotiate with the British

Taken by a John Claude White, a political officer and joint leader of the expedition, the snaps passed
to a soldier in the campaign, Lieut. William Pyt Bennett.
The photographs were painstakingly pasted into an album and stored carefully, passing down through his family over the years.They are now being sold at auction by Bonhams of London and are expected to fetch a whopping 15,000 pounds.White
entered the country as part of the British expedition to Tibet in 1903 and 1904, when British Indian forces sought to prevent Russia gaining influence in the country.
Led by Major Francis Younghusband, around 3,000 troops marched into the country, famously killing around 700 lightly armed Tibetan monks in the village of Guru.They reached the capital Lhasa in August 1904, when the government signed a treaty effectively turning the country into a British protectorate.The black and white photos show the mysterious landscape of the country, including Mount Everest, with pictures of Tibetans in traditional dress posing for the camera.

The spectacular Khamba Jung fortress: Younghusband’s expedition was spurred by a fear that Russia was extending its power into Tibet
Expeditionary force camped under the Phari Jung fortress.
The expedition was a bloody one as Younghusband was forced tofight Tibetan forces. 
Some even show the expedition itself, with rows of tents on the flat plains, and monks and nuns going about their daily routine. David Park, director of book, maps and manuscripts at Bonhams, said: ‘These are extraordinary photos with a rather fabulous provenance.  ‘They are the first pictures to come out of Tibet, which was a closed country at the time – in general British people could not go there. ‘Indian and Nepalese traders were sometimes allowed in but in general they did not want outside influences or visitors. ‘Britain decided they had to force the door open as it were, and launched a lightly armed military expedition.‘They had a military force of about 3,000, with another 7,000 camp followers with camels to carry things.

The end of Empire: Sikh and British soldiers with a Tibetan guide and a Yak train
Head monk of the Tashi Lama with Badulah, a Chinese ambassador (right)
Younghusband in Darjeeling on the eve of the expedition.
 The Tongsa Penlop, (right) a Bhutanese ambassador taken bythe British to explain to the Tibetans that resistance would be futile,
‘There were military skirmishes but the British kept going until they reached Lhasa and a treaty was signed.‘These photographs were taken by a British political officer, John Claude White. He was not a professional photographer, but he was very good –they are cracking pictures. ‘What makes these photographs ever more unusual is their provenance – they belonged to a man who was actually part of the expedition.‘They may have been presented to him or he may have bought them as a souvenier, and they have been in his family ever since.‘They really are extraordinary . A selection of photographs taken by John Claude White in Tibet and Lhasa were published by Johnston & Hoffmann in 1906.

Bomaanslag

Standaard

Op de Mahabodhi tempel werd op 7 juli 2013 een aanslag gepleegd

Op de Mahabodhi tempel werd op 7 juli 2013 een aanslag gepleegd

Hoe triest is de bomaanslag door moslim terroristen op 7 juli jl op de Mahabodhi tempel in Bodhgaya , India. Ik verbleef in 2011 tien dagen in Bodhgaya om er te mediteren en te bidden voor wereldvrede. Bodhgaya was het hoogtepunt van een persoonlijke pelgrimage langs de heilige plaatsen van het boeddhisme.
image

image

Haat en geweld komen voort uit diepe onwetendheid. Onwetendheid omtrent de ware aard der fenomenen en het zelf is de bron van al het lijden, zegt de Boeddha……………..

De Mahabodhi Tempel staat bij de Bodhiboom waar Boeddha zijn grote inzicht kreeg. Een plaats van vrede en geweldloosheid, van wijsheid en mededogen.

Sarva Mangalam Om Shanti Hum

Info : http://en.wikipedia.org/wiki/Bombing_of_Bodh_Gaya

Waarom moslims deze wandaden plegen wordt in onderstaande link goed uitgelegd door Raymond Ibrahim :

http://www.raymondibrahim.com/islam/strategies-for-countering-radical-islamist-ideologies/

 

The myth of islamic science

Standaard

islamicscience-1025x700

IndiaFacts – Truth be told
By Rajaram NS
In this provocative essay, Waseem Altaf, the author argues that the notion of a golden age of Islamic learning is a myth created to counter the current sorry state of intellectual life in the Islamic world.

Introduced by Dr. N.S. Rajaram

Editor’s introduction

It is widely believed and taught, including in India, that there was a Golden Age of Islamic learning that made a major contribution to science and the arts. In India we are told that this ‘synthesis’ between Hindu and Muslim thought gave rise to a great ‘syncretic’ civilization that was suppressed and eventually destroyed by the British. However, this flies in the face of the fact that not a single name of a major scientist from the five-plus centuries of Islamic rule of India has come down to us. We have to go to pre-Islamic India to invoke names from the past— names like Aryabhata, Varahamihira and the like
Al Biruni, eyewitness to the destruction of Indian learning

It is a similar story when we look at universities or centers of learning. Pre-Islamic India was renowned for its universities: Takshashila, Vikramashila, Nalanda, Ujjain and other places attracted students and scholars alike from far and wide, much like the United States of today.

After the establishment of the Delhi Sultanate, not a single center of learning (other than Islamic seminaries) was established for over seven centuries. The first modern universities came to be established only during the British rule.

Also worth noting is the fact that the so-called ‘synthesis’ of learning took place before Islamic invasions engulfed both India and Persia in a Dark Age. The Sassanid emperor Kosrau I deserves much of the credit for work that is wrongly credited to Islamic rulers and scholars.

Khosrau I (reigned 531–79) known as Anushirvan or ‘the immortal soul’ was a great patron of philosophy and knowledge. He gave refuge to scholars from the Eastern Roman Empire when the bigoted Christian Emperor Justinian closed down the neo-Platonist schools in Athens in 529 AD. Earlier, in 415 AD, Christian goons led by ‘Saint’ Cyril burnt down the great library in Alexandria and murdered the neo-Platonic scholar Hypatia who taught there, because another ‘saint’ Paul had decreed that women must keep their silence.

Khosrau was greatly interested in Indian philosophy, science, mathematics, and medicine. He sent multiple embassies and gifts to the Indian court and requested them to send back philosophers to teach in his court in return. Khosrau made many translations of texts from Greek, Sanskrit, and Syriac into Middle Persian. He was lauded as “Plato’s Philosopher King” by the Greek refugees that he allowed into his empire because of his great interest in Platonic philosophy.

A synthesis of Greek, Persian, Indian, and Armenian learning traditions took place within the Sassanian Empire. One outcome of this synthesis created what is known as bimari-stan (‘home for the ailing’), the first hospital that introduced a concept of segregating wards according to pathology. Greek pharmacology fused with Iranian and Indian traditions resulted in significant advances in medicine.

Regrettably this pre-Islamic era  of learning came to an abrupt end following the Arab (Muslim) invasions and the defeat of Sassanid Persia The reality is that most of this ‘synthesis’ took place in the pre-Islamic period until Islamic invasions sank both Persia and India into a Dark Age lasting centuries.

IndiaFacts is grateful to the author Waseem Altaf and the publication Viewpointsonline.net for the article. No photograph of the author is published out of concern for the author’s safety. Here is his essay.
—————————————————————————————————————-

Science in the Islamic world

Rational thought in the Muslim world developed during the reign of liberal Muslim rulers of the Abbasid dynasty. However it was after the rise of scholars like Al-Ghazali that all scientific reasoning came to an end in the 13th century. As we remain enamored by our past achievements in the sciences, we forget that there is very little “original” we as Muslims can celebrate and be proud of.

It was during the reign of the early Abbasid caliphs, particularly Mamun-ur-Rashid (around 813 CE) that in his Dar-ul-Hikmah (the house of wisdom) in Baghdad, Muslim scholars would begin translating the classic Greek works, primarily toeing the Aristotelian tradition. In addition, they were heavily relying on Persian and Indian sources.  They also penned huge commentaries on works by Greek philosophers. However, the Muslim translators were small in number and were primarily driven by curiosity. More than ninety nine percent Arabic translations of works of Greek philosophers were done by either Christian or Jewish scholars. It is interesting to note that Islamic astronomy, based on Ptolemy’s system was geocentric. Algebra was originally a Greek discipline and ‘Arabic’ numbers were actually Indian.

Al-Ghazali put an end to free thinking

[N.S Rajaram: Indians invented algebra, calling it bija-ganita. Greeks considered some special cases in number theory like Diophantine Equations, also known to the Indians. The cumbersome letter-based notation (like the later Roman numerals) did not lend itself to problems in algebra. The major Greek contributions were the concept of proof (known also to Indians) and above all the axiomatic method at which they excelled. The Arabs themselves never denied their indebtedness to the Hindus in astronomy, medicine and mathematics. They called their numbers ‘Hindu numerals’. As noted in the Editor’s Introduction, much of this took place in pre-Islamic Iran, especially under Khusro I.]

Most of these works were available to the West during 12th century when the first renaissance was taking place. Although Western scholars did travel to Spain to study Arabic versions of classical Greek thought, they soon found out that better versions of original texts in Greek were also available in the libraries of the ancient Greek city of Byzantium.

Notable Muslim scholars

However, it would be unfair not to mention some of those great Muslim scholars, though very few in number, who genuinely contributed in the development of philosophy and science.

Al-Razi  (865 – 925 CE) from Persia, the greatest of all Muslim physicians, philosophers and alchemists wrote 184 articles and books, dismissed revelation and considered religion a dangerous thing. Al-Razi was condemned for blasphemy and almost all his books were destroyed later.
Ibn-e-Sina or Avicinna (980-1037CE), another great physician, philosopher and scientist was an Uzbek. Avicenna held philosophy superior to theology. His views were in sharp contrast to central Islamic doctrines and he rejected the resurrection of the dead in flesh and blood. As a consequence of his views, he became main target of Al-Ghazali and was labeled an apostate.
Ibn-e-Rushd (1126-1198 CE) or Averroes from Spain was a philosopher and scientist who expounded the Quran in Aristotelian terms. He was found guilty of heresy, his books burnt, he was interrogated and banished from Lucena.
Al-Bairuni (973-1048 CE), the father of Indology and a versatile genius, was of the strong view that Quran has its own domain and it does not interfere with the realm of science. [NS Rajaram: Al-Bairuni, or Al-Biruni as he is better known in India, makes it clear that the Islamic invasions made Hindu (and Buddhistic) centers of learning their special targets. In his words: “…Hindus became like atoms of dust scattered in all directions. …This is the reason too why Hindu sciences have retired far away from those parts of the country conquered by us, and have fled to places which our (Muslim) hands cannot reach.” The last great center of mathematics was in Kerala, from their reach.]
Al-Khawarazmi (780-850 CE) was another Persian mathematician, astronomer and geographer. The historian Al-Tabari considered him a Zoroastrian while others thought that he was a Muslim. However nowhere in his works has he acknowledged Islam or linked any of his findings to the holy text.
Omar Khayyam (1048-1131 CE), one of the greatest mathematicians, astronomers and poets was highly critical of religion, particularly Islam. He severely criticized the idea that every event and phenomena was the result of divine intervention. [NS Rajaram: Omar Kyayyam is known to the world mainly as the author of the Rubayiyat (in its English translation by Fitzgerald), but native Persians see him as a minor poet but a great scientist. Like all free thinkers he was denounced as a heretic.]
Al-Farabi (872-950 CE), another great Muslim philosopher, highly inspired by Aristotle, considered reason superior to revelation and advocated for the relegation of prophecy to philosophy.
Abu Musa Jabir- bin- Hayan or Geber (721-815 CE) was an accomplished Muslim alchemist cum pharmacist. Although he was inclined towards mysticism, he fully acknowledged the role of experimentation in scientific endeavors.
Ibn-ul-haitham or Hazen (965-1040 CE) was an outstanding physicist, mathematician, astronomer and an expert on optics. He was ordered by Fatimid King Al-Hakim to regulate the floods of the Nile, which he knew was not scientifically possible. He feigned madness and was placed under house arrest for the rest of his life.

Contribution of unorthodox thinkers

As we go through the life histories of these great men we find that they were influenced by Greek, Babylonian or Indian contributions to philosophy and science, had a critical and reasoning mind and were ‘not good’ Muslims or even atheists. A significant number of them were reluctant to even reveal the status of their beliefs for fear of reprisal from the fanatics. They never ascribed their achievements to Islam or divinity. And they were scholars and scientists because of a critical mind which would think and derive inspiration from observation and not scriptures which set restrictions on free thinking and unhindered pursuit of knowledge.

Hence bringing in Islam to highlight achievements of Muslim scientists is nothing but sheer rhetoric as these men did not derive their achievements out of Islam or flourished due to Islam. And we find that whatever little contribution to science was made can be owed to ‘imperfect Muslims’.

[NS Rajaram: Muslims are not alone in this. Many Hindu scholars also make extravagant claims in the name of ‘Vedic science’ and the like that have no basis. Considering their numbers, the Hindus don’t have a particularly good record, compared to say, the Jews. India and Israel became independent countries around the same time but in science there is no comparison. Retreat into religion in the name of ‘spirituality’ must take its share of the blame. Hindu moneybags spend lavishly on religious endowments and dubious holy men, but are measly when it comes to supporting temples of learning. And the few they do (like the Hindu University of America) are an embarrassment and get bogged down in obscurantism and mismanagement.]

Putting ‘God’s hands in chains’

However it was the ‘perfect Muslim’, the Islamist, from the 12th century who was to give the biggest blow to scientific thought in the Muslim world.

Imam Ghazali (1058-1111 CE) who still occupies a centrestage among Muslim philosophers openly denounced the laws of nature and scientific reasoning. Ghazali argued that any such laws would put God’s hands in chains. He would assert that a piece of cotton burns when put to fire, not because of physical reasons but because God wants it to burn. Ghazali was also a strong supporter of the Ash’arites, the philosophers who would uphold the precedence of divine intervention over physical phenomena and bitterly opposed the Mu’tazillites— or the rationalists who were the true upholders of scientific thought.

In other words Ghazali championed the cause of orthodoxy and dogmatism at the cost of rationality and scientific reasoning. Today we find that all four major schools of Sunni Islam reject the concept of ‘Ijtehad’ which can loosely be translated as ‘freedom of thought’. Hence there is absolutely no room for any innovation or modification in traditional thought patterns.

We also find that as Europe was making use of technology while transforming into a culture of machines, the acceptance of these machines was extremely slow in the Islamic world. One prime example is that of the printing press which reached Muslim lands in 1492. However, printing was banned by Islamic authorities because they believed the Koran would be dishonored by appearing out of a machine. As a result, Arabs did not acquire printing press until the 18th century.

It also stands established that science is born out of secularism and democracy and not religious dogmatism. And science only flourished in places where religion had no role to play in matters of state. Hence there is an inverse relationship between religious orthodoxy and progress in science. Rational thought in the Muslim world developed during the reign of liberal Muslim rulers of the Abbasid dynasty who patronized the Mu’tazillites or rational thinkers.

However it was after the religious zealots’ compilation of the ahadis and the rise of scholars like Al-Ghazali that all scientific reasoning came to an end in the 13th century. As a consequence, Muslims contributed almost nothing to scientific progress and human civilization since the dawn of the 13th century. And while science and technology flourish in the modern world, a vast majority of Muslims, engulfed by obscurantism, still find solace in fantasies of a bygone era——the so called ‘golden age’ of Islam.

Concluding comments by Dr. N.S. Rajaram

Whether one agrees with the author’s radical conclusions or not, it is undeniable that the contributions to science under the great Islamic empires was disproportionately small considering their wealth and power. We already saw that their record in India even during the supposedly ‘great’ Mogul empire was dismal. Part of the problem was that Islamic rulers, instead of encouraging learning, hired foreigners and mercenaries— like Hindus in India and Jews and Christians in the Ottoman Empire.

Indian Muslim historians like Irfan Habib have tried to explain this intellectual vacuum of the Islamic period in India claiming that its rulers were mainly nomadic tribes from Central Asia (like Turks) who were more interested in military exploits than learning or scholarship. But why only under Islam in a belt from India to Turkey and beyond, and that too only after the coming of Islam?

One has to agree with the author Waseem Altaf that Islam (like Medieval Christianity) was mainly responsible for this continuing backwardness. Others, notably Hindus should learn from this and avoid getting trapped in the past.

Rajaram NS
Dr. N.S. Rajaram is an Indian mathematician, notable for his publications on the Aryan Invasion debate, Indian history, and Christianity. Among his numerous books, the “The Dead Sea scrolls and the crisis of Christianity” is widely acclaimed.

De twee meest invloedrijke vroeg-boeddhistische stromingen

Standaard

Sarvastivāda en Theravāda


bud_council
De ontstaanstijd

De Theravāda

Tot nu toe is onbekend wanneer de vroeg-boeddhistische stroming die zich op een gegeven ogenblik vestigde in de Mahāvihāra, het Grote Klooster, op Sri Lanka werkelijk ontstaan is. Onderzoekers zijn er van overtuigd dat deze stroming die nu vaak wordt aangeduid met “Zuidelijk Boeddhisme” is voortgekomen uit een soortgelijke beweging in Noord-India. Van die beweging is geen inscriptie of snipper tekst meer bekend.
In de derde eeuw brachten de zoon en dochter van koning/keizer Asoka, Mahinda en Sanghamitta, Boeddhisme naar Sri Lanka. In de kroniek de Mahāvamsa, sectie 14, vers 8, wordt beschreven hoe de zojuist aangekomen monniken met Mahinda aan het hoofd de Srilankaanse koning benaderden:
“Grote koning, wij zijn monniken, discipelen van de Boeddha.
Uit mededogen met u zijn we vanuit India (Jambudipa) hierheen gekomen.”
Dat is dan het officiële moment van binnenkomst van Boeddhisme op Sri Lanka, en wat er vanaf dat moment daar wordt gepredikt is wat de Ouderling Tissa, broer van keizer Asoka als de correcte orthodoxe canon aanvaardde. Deze canon zou geleidelijk aan doorheen de eerste paar honderd jaar van Boeddhisme op Sri Lanka naar voren komen in manuscripten die in de taal het Pali geschreven, gecopieerd en vertaald werden. Het duurt dan niettemin tot de zevende eeuw voordat er ook maar enige kroniek is waarin de naam Theravāda voorkomt. Het is mogelijk dat de monniken zich tot dat moment ‘de monniken van de Mahāvihāra’ hebben genoemd.
Er mag aan herinnerd worden dat de Zijderoute ook pas Zijderoute is gaan heten nadat de negentiende-eeuwse reiziger Ferdinand von Richthofen de naam Zijderoute is gaan gebruiken. Gaan we nog verder terug dan mogen we vaststellen dat Boeddha nooit heeft gezegd dat hij Boeddhisme predikte — als een -isme.
De Theravāda zoals we die nu kennen heeft zich tot aan de verspreiding naar de westerse wereld vooral beperkt tot Sri Lanka, Thailand, Cambodja, Birma, Laos, en later, delen van het huidige Bangladesh.

De Sarvāstivāda

Het duurt ook pas tot de chinese monnik-pelgrim Xuanzang in de zevende eeuw melding maakt van de stroming die de Sarvāstivāda heet. De naam betekent De Weg (vāda) die zegt dat Alles (sarvam) Bestaat (asti). Deze stroming bestaat niet meer als zelfstandige denkrichting, maar leeft tot op zekere hoogte nog voort in het huidige Himalaya-boeddhisme. De Sarvāstivāda bestond als zodanig, maar splitste zich later op in kleinere stromingen die zich ervan afscheidden, zoals de Sautràntika (Enkel maar de Soetras – dus geen aandacht voor commentaarwerk). Men gaat ervan uit dat deze traditie ontstond rond het jaar 244 voor de westerse jaartelling, ten tijde van het concilie dat een daadwerkelijk schisma zou inluiden, maar wanneer het ophield is niet te bepalen. Niet levensvatbare denkrichtingen sterven langzaam uit en/of gaan langzaam over in andere, nieuwere filosofieën.
Van de Sarvāstivādin is beter bekend waar ze, althans in de zevende eeuw, verbleven. Xuanzang treft hen aan langs de hele Zijderoute, tot in de Pamir-passen, en in het Ganges-basin in India.
De leer van de Sarvāstivāda is nog het best en meest uitgebreid beschreven in de tibetaanse canonieke werken, waar delen ervan een plaats hebben gekregen in de lam-rim aanvangsleer van met name de Gelug-stroming.

De debatten aan de hand van het concept as, bestaan(2)

Het belangrijkste verschil tussen de Sarvāstivāda en Theravāda is formeel vastgelegd in de volgende stellingen. De Sarvāstivāda zegt, “alles bestaat; het verleden, het heden, en de toekomst bestaan werkelijk en substantieel.”
De Theravāda beantwoordt dit met “Het verleden bestaat niet. De toekomst bestaat niet.”(3) Om een vorm van absolutisme te vermijden wordt op een andere plaats gezegd, “Men moet niet zeggen dat het verleden, de toekomst, het heden, lichamelijkheid en de andere agregaten (zie onderstaand) werkelijk bestaan danwel niet werkelijk bestaan.”(3)
Of deze uitspraak waarin ons wordt afgeraden in absoluten van bestaan of niet bestaan te denken de inspiratie is geweest voor een van de hoofdthemas van de Lankāvatāra Soetra is niet te zeggen. Zeker is wel dat de Theravāda en de latere Lanka het op dit punt eens zijn. Dit oorspronkelijk Theravāda-standpunt is via-via terecht gekomen in met name de zen-beleving die de nadruk legt op dit enige vlietende moment.
Dat inmiddels het “hier-en-nu denken” in Nederland wijd verbreid is geworden, is in eerste instantie te danken geweest aan deze genoemde filosofische stelling, die wel ervaringsgericht is, maar niet hedonistisch-gericht. De trend naar het beleven van het hier en nu-moment is in de westerse wereld vervolgens niet weinig versterkt geworden door het oude latijnse hic et nunc, hier en nu, dat vooral naar voren werd geschoven wanneer de mens werd geadviseerd nù te genieten van dit moment omdat de toekomst ongewis en wellicht minder vrolijk is.

Aan de hand van het concept bīja, zaden (1)

In een opsomming van stellingen van de Theravāda(1) komen we aan het eind een regel tegen die zegt dat deze bīja (spreek biidja) of zaden “geen entiteit op zichzelf” zijn. De mededeling staat er zomaar, zonder dat ze wordt voorafgegaan door een verwijzing naar een of andere andere school die zegt dat deze zaden wèl entiteiten op zich zijn.
De naam van De Grote Gemeenschap, de Mahāsanghika, die niet helemaal terecht als enige verantwoordelijk wordt gehouden voor het ontstaan van de Mahāyana, komt al op rotsinscripties voor voordat koning/keizer Asoka aan de macht kwam. Er zijn inscripties uit het eind van de vierde, begin derde eeuw voor de westerse jaartelling die spreken over de Mahāsanghika. Deze stroming heeft nooit voet op srilankaanse bodem gezet, maar heeft wel gesproken over bīja, zaden, als volgt: “de zaden zijn de tendenzen die geboorte geven aan obsessies. (parya-vasthāna)”
De Mahāsanghika zag deze zaden dus niet in materiële, maar in psychologische zin, en kan daarmee niet de ergernis van de Theravādin hebben opgewekt.
De lijsten met stellingen van de Sarvāstivāda maken geen melding van het begrip bīja, maar een late opvolger van deze Sarvāstivāda-stroming, de Sautràntika, die ook wel de Sankrantivāda wordt genoemd doet dat wel. Van deze stroming zijn sporen gevonden in het noordoosten van India (Bihar – Orissa) in ca de tweede eeuw voor onze jaartelling. Deze stroming interpreteerde de zaden of bīja als “het geheel van de vijf agregaten”. De vijf agregaten zijn volgens het Boeddhisme het in een levend lichaam onverbrekelijk met elkaar verbonden zijn van lichamelijkheid, fysiek ervaren of ondervinden, perceptie, het samenstellen in de geest of het samengestelde in de geest, en bewustzijn.
En hier zien we dan waarschijnlijk de steen des aanstoots voor de Theravāda; men reageerde op een heel oud concept van de Sautràntika die meende dat deze zaden niet alleen in het bewustzijn aanwezig zijn, of een deel van het bewustzijn zijn, maar dat ze ook substantie, iets zintuiglijk ervaarbaars hebben.
De Theravāda-doctrine van de srilankaanse Mahāvihāra heeft geen noodzaak gezien het waarschijnlijk heel oude bīja-thema uit haar stellingen te halen; de Sautràntika moet zijn invloed hebben doen voelen tot op het Sri Lanka van de Theravādin.

Latere ontwikkelingen

De voluit Mahāyana-stroming die Yogacara (joogatsjaara, liefde voor de meditatieve praktijk) wordt genoemd, en die ontstaan is vanaf de vierde eeuw onze jaartelling, die zich vooral concentreert rond het thema Enkel-Bewustzijn, zal bīja gaan interpreteren als de impressies die als het ware op de geest worden achtergelaten. Met andere woorden, de Yogacara volgt hierin het vroege Mahāsanghika-standpunt waarin de “zaden” vooral in psychologisch perspectief moeten worden gezien.
De Vajrayana, meer bepaald de mantrayana heeft een bīja mantra waarbij de “zaad-syllabe” dienst doet om de geest te focussen en in staat te stellen af te dalen in de praktijk waarin spraak, geest en lichaam als vereend kunnen worden ervaren. Maar die praktijk, die duidelijk geen enkele connectie meer heeft met de vroegste opvattingen over de zaden, mogen we niet ouder dan de zevende eeuw veronderstellen.

aan de hand van het concept samskrta, samengesteld

Een van de Sarvāstivāda-stellingen zegt, “De Waarheid van het ophouden (nirodha) is niet-samengesteld (asamskrta), maar de drie andere waarheden zijn samengesteld (of samengesteldheden).”(4)
Niet-samengesteld is een synoniem voor nirvana of Verlichting.
De vier waarheden zijn: 1/ duhkha – het onbevredigende, 2/ ontstaan, 3/ het ophouden, en 4/ De Weg naar het ophouden van duhkha (of dukkha).
De bovenaangehaalde stroming van de Mahāsanghika spreekt ook over deze vier waarheden. Ze worden vrij uitgebreid besproken aan de hand van in Sanskriet bewaarde soetras, maar er wordt niet van gezegd dat ze samengesteld danwel niet-samengesteld zijn.(5)
De Theravāda(6) zegt, “De vier Waarheden zijn niet samengesteld (asànkhata). Omdat dukkha, het ontstaan (ervan) en De Weg samengesteld zijn, kunnen de Waarheden van dukkha, het ontstaan ervan, en De Weg niet niet-samengesteld zijn.” (anders zit je voor niets te cultiveren of te mediteren op het ophouden van dukkha.)
Met andere woorden, de Bevrijding van het onbevredigende, het verdwijnen van de oorzaak van het onbevredigende en de volledige realisering van de Weg er naar toen is het ultieme, ook al zal de Theravāda nooit het woord ‘ultiem’ hanteren. Op het moment dat de Vier Nobele Waarheden ten volle worden gerealiseerd, zijn ze voor de beoefenaar Waarheden geworden, niet langer filosofische postulaten. Daarmee zijn ze nog steeds Waarheden die ruimte laten voor andere Waarheden zoals de huidige christelijke die zegt dat Liefde Waarheid is — al was het maar dat liefde (metta of maitri) een van de paden is op de Weg van de Dharma.(7)
Om de Theravāda-stelling nog verder te onderstrepen wordt aan deze observering toegevoegd dat de vier meditatieve stadia, hier de ārūpa-samāpatti genoemd, niet-samengesteld zijn. Hier heeft de vroege Theravāda dezelfde inzichtelijke ervaring als Dōgen, de latere stichter van de japanse soto-zenschool: men ‘zit’ in eenheid van geest.
En er wordt in diezelfde lijst van stellingen gezegd dat ruimte of het luchtruim (ākāsa) eveneens niet-samengesteld is. De Theravāda zal in filosofische zin niet veel meer gaan doen met deze observering, maar in het latere Mahāyana krijgt ākāsa enig gewicht.
Op dit onderwerp van ‘samengesteld’ waren de Sarvāstivāda en de Theravāda daarom met elkaar in debat; ze hadden deels verschillende inzichten over wat ultiem of het Hoogste was.


Noten:
(1) A Bareau, Les Sectes bouddhiques, 1955, pp.68,157,240
(2) ibid p.137
(3) ibid p.213
(3) ibid p.214
(4) ibid p.138
(5) ibid p.62. Samengesteld: waarheid van de wereld = samvrti (Skr.) resp. samutti (Pali).
Niet-samengesteld = ultiem of het Hoogste, bovenwerelds: paramartha (Skr.) resp. paramatta (Pali).
(6) ibid p.221
(7) Ook naar aanleiding van het begrip “zaden”. Wanneer de Rooms-Katholieke kardinaal Dias, Prefect van de Congregatie voor de Evangelisering van Volkeren, in een december 2007-toespraak (Asia News van 15 december 2007) zegt dat de RK-missionaris in de aziatische religieuze systemen op zoek moet gaan naar de “seeds of truth” (een leenterm uit recente Hindu-literatuur), om zodoende die volkeren te evangeliseren, dan rekent hij, althans in zijn eigen denken, het christelijke geloof, dat nog slechts 2013 jaar oud is, nog steeds tot de bron van alle religie, en niet tot een religieuze denkrichting die meer of minder inspiratie heeft ontvangen uit oudere systemen.

The Buddha was Neither a God Nor an Incarnation (Avatara)

Standaard

Some people make no distinction between buddhism and hinduism. But they are not the same. Born in the same culture buddhism reject the ideas of Vedic culture. Buddhism must be seen as a very different idea.

boeddh2

In the glut of saffronised whim in writing over the issues of the Buddha and Buddhism some fanatic Brahmanical scholars of Indology have deliberately tried to mislead the lovers and admirers of Buddhism by assigning epithets of god and incarnation (Avatara). As a matter of fact this type of writing is an outburst of their wild sentiment which is not at all an alternative of truth or talent. It may create an aura of scholarship for a moment. But in reality such scholarship as noted above is an exercise in futility about the real identities of the Buddha, the Enlightened One and his masterpiece contributions to humanity. Rahula Sanskrityayana in his book entitled, Darsana-Digdarsana (Hindi), has amply described this issue of Buddha as god and incarnation in negative manner and has refuted and condemned Sir Radhakrishan who forcibly has imposed ideas of soul, Supreme Being on concept of the Buddha for non-soul (anatma), anitya and samutpanna. The personality of the Buddha is glowing with non-violence, compassion and serenity. It does not appear armed with any weapon. On the contrary the Brahmanical heroes dignified in the row of the Avataras appear fully armed with weapons and other media of declaring war etc. for reforming the society of the Hindus adhering to the Vedic tradition i.e., Sanatana Dharma.

On the basis of the deep investigation it has transpired that a well calculated campaign has been started by the transpired Brahmanical scholars for portraying the Buddha as a god and the tenth incarnation of Vishnu with an ulterior motive. In the debris of the history of the Vedic orthodoxy, which cropped up after the Nirvana (demise) of the Buddha, arose a well-cooked scheme for demolishing the originality of the Buddha’s discovery of the Middle Path, Four Noble Truths and Noble Eightfold Path. This is the most malignant and callous effort of the fanatic Brahmanas in order to foil the rising image and credibility of Buddha and Buddhism on international level.

By this time every learned man in true sense of the term has come to know the indelible impact of the Buddhistic renaissance on Indian society. After a gap of about three centuries from the time of the Buddha, Asoka the great Maurya had sacrificed the total assets of his vast Empire for reforming an ailing Indian society rotten by the Vedic tradition, through his missionary zeal in order to spread the message of peace and the universal brotherhood free from the blemishes of caste-ridden Indian society. In fact, a dubious social ideal was projected by the orthodox Indian Brahmans of the purpose of manifesting pseudo sovereignty of the blood-stained Vedic sacrificial tradition.It is a well-established fact that an enhanced fact that an anti Buddhistic Vedic revivalism has been started with an enhanced vigour after Babasaheb Dr. B. R. Ambedlkar’s crusade waged against a rigid Hindutva for the sake of arousing the morale of untouchables, Dalits had voluntarily accepted Buddhism in 1956 at the famous Diksha Bhumi of Nagpur . It was really the unique step of Babasaheb to encounter the anti-Buddhistic challenges of the Brahmanas. After more than 2500 years of the Buddha, his doctrine of The Middle Path by dint of his Patica Samuppada (theory of causation) had regenerated a new light of equality, liberty and fraternity. A wave of global ethics had swept over length and breadth of our country in particular and over the Buddhist countries of the world in general. The personality of the Buddha was of a mortal and humane nature. His doctrine popularly known as Buddhism appeared as anti-pode of the Brahmanical orthodoxy and saffronised Hindutva. It is this revolutionary force which stings the conscience of the vested Brahmanical interests and the saffronised ideologues. Consequently they have become restless before the new sunrise of a world view and as such they now intend to dislodge and destabilized the increasing and rising Buddhist community at the outset of this 21 st century when, in fact, the Buddhist countries of the world are on the way to coordination and union for building an international world order.

A few years back a book entitled, Hinduism and Buddhism Are The Same Aryan Religion (by Tek Nath Gautam, Translated by Ramsurat Tripathi, M.A., Lt. and Sushil Gautam, Shastri, M.A., published by Vishwa Hindu Maha Sangha, Rashtriya Nagar Samiti, Tribhuvan Nagar, Dang, Nepal; Pp. iv + 46) was published to publicize that Hinduism and Buddhism are the same religion. A detailed discussion of controversy in respect of Sankaracharya’s role in Nepal against the renaissant Buddhist community has been presented in A History of Buddhism in Nepal : A.D. 704-1396 (pp. 63-75) and in this connection the notion of Buddhism has been falsified. This hypothesis is not correct in case of Buddhism, because it is not strictly a religion in the same sense in which that word is commonly understood, for it is not a system of faith and worship, owing any allegiance to supernatural god. Buddhism does not demand blind faith from its adherents. Hence mere belief is dethroned and for it is substitute confidence based on knowledge’. It is possible for a Buddhist to entertain occasional doubts until he attains the first stage of sainthood (sotapatti) when all doubts about the Buddha, Dhamma and the Sangha are completely resolved, one becomes a genuine followers of the Buddha only after attainting this stage.In the Dhammapada Buddha says: By oneself alone is evil done; By oneself alone is one defiled, By oneself alone is evil avoided; By oneself alone is one purified. Purity and impurity depends upon himself.  No one can purify another. (V. 165)  There is an excellent interpretation of these issues in the Dhammapada (Hindi) edited by the late Bhikkhu Dharmarakshita of Sarnath. He has thoroughly demolished this notion of god and incarnation imposed on the Buddhist doctrine.

One the contrary, Hinduism according to the Brahmanical scholarship stands for complete self surrender before deities incarnated as gods and goddess. Krishna in the Gita has assumed a very boastful image and he has uttered before Arjuna to surrender completely under his shelter and he guaranteed that he would remove all designs of sins committed by Arjuna. By dint of nine methods of worship (Navadha Bhakti) a devotee does not make any effort to stand on his own knowledge and only the gods are supposed to salvage him. Antecedents of orthodox Indian Brahmanical legacy shows quite a revengeful and zealous campaign vomiting venoms against the Buddha and his glorious discovery of the unique knowledge. The Bhagvata Purana states that after coming of the Kali age the son of Ajna, known as the Buddha appears in the Kikata region ( Magadha ) Gaya as an incarnation of Vishnu

Hindu god Vishnu

Hindu god Vishnu

to delude the Asura foes. Its commentary indicates that many demos have intruded into the Vedic tradition and as such it has been polluted by them. So it has become a task to purify it through escalating them from the Vedic tradition. In the later Vedic texts of the Brahmanical scholarship, Magadha has been dubbed as the region of the Kikatas who were demons eating flesh of the crows. In fact, Magadha has been the cradle of Buddhism where the Buddha had to undergo a brave pursuit of life struggle in order to attain the supreme Enlightenment at the historical works are replete with the myth and reality. One can witness very interesting account of the life struggle in the Suttanipata the Dhammapada and the Mahaparinibbansutta etc. the Buddha had come across through debates, discourses and questions-answer sessions held regularly with Brahamanas of his time around Magadha (Bihar) and Kosala (the region of the Uttar Pradesh).Nowhere did the Buddha ever try to project himself as god and incarnated heroes for the sake of putting his views against any ideas or issues of social evils, against sacrificial and violent practices of the Vedic tradition of the priestocrat Brahmanas. Never did the Buddha take resort to miracles or false assurance of giving resurrection to others from time to time in crisis. The Buddha always moved as a mortal but as an Enlightened being for the sake of arousing the untouchables, Dalits and marginalized lots of our society spoiled and polluted by the caste and Varna system manufactured by the Brahmanas for their personal and sectarian welfare. The Buddha stood for the Bahujana hitaya and the Bahujana sukhaya (for the welfare of the many, for the good of the many). The Buddha constantly and continuously advocated the cause of the down trodden and exploited people of our society through illustrating examples of his life style enshrined in the Middle Path (Pancasila Dasasila, five and ten precepts). He encouraged the people to examine the ethical norms by dint of logic and experience. He turned to an extent of exhorting that even his own ideas should not be approved through blind beliefs and superstitions, they too deserve an examination by two touchstones noted above.The Buddha said in Dhammapada: You must make the effort yourself,the Tathagatas are only teachers. (V. 276).

Sanchi Stupa

Sanchi Stupa

2300 Years ago, Asoka the Great Maurya Emperor, as his Edicts show, made unique programme of spreading renaissant doctrine of the Buddha. Rock Edict XIII of Asoka treats this issue elaborately and has indicated a long list of the countries of Asia where his missionaries carried the messages of Buddhism. Pillar Edict II defines the Dhamma without any reference to god or incarnation notions in the Buddha’s preachings. Asoka (Hindi) authored by the late Yogendra Mishra, is a comprehensive work to this point. He sent messages of peace and universal brotherhood to different regions of the world, west Asia , north Asia , Nepal , Myanmar and Sri Lanka . Historicity of the Buddha and Buddhism as international phenomenon has amply been discussed by the late Lala Hardayal in his research work entitled, Bodhisatva Doctrine in the Sanskrit Literature (a Ph.D. thesis published by Oxford University Press, London , as early as 1928). He has emphatically asserted that Theravada Buddhism in pre-Christian era influenced mode of thinking and life style of the people around the coastal regions of the Mediterranean Sea where the Greeks and Buddhist monks used to meet and discuss. Maurice Winternitz, in his book, A History of Indian Literature Vol. II (the Buddhist Literature and Jaina Literature) has amplified this issue of the world religion (Buddhism) and has discussed it in detail (pp. 402-433) and has concluded: Nevertheless our views of the new Buddhist movement may be, we cannot but admire the vitality of Buddhism and of the works of Buddhist Literature, which have ever and again inspired the minds of thinkers poets of all nations, and still continue to do so. I hope, too that I have succeeded in showing in the above chapters that there is still much in the Buddhist literature which well merits being introduced into European literature and made the common property of universal literature.

Thus unlike the Brahmants the Buddhists always believed in manhood free caste, creed and regionalism.It was because of this global image and spirit of the Buddha and Buddhism centuries later the Brahmana scholars formulated rules through their scriptures prohibiting sea voyage and journey to foreign lands and vociferously declared and polluted ones. This step was a deliberate attempt to close the door to acceptance of Buddhism, of giving freedom of religion. Under these circumstances those who talk of worls as a global family’ (Vasudhaiva Kutumbkam) or process of united call and united march’ (samvadadhvam, samgacchadhyam) are mocking with propriety and reality. The famous legal text of the Manusmriti and the sacred text of the Brahmasutra of Sankaracharya regulate that the Sudras have no soul and they have no right to read, recite and think over Vedic hymns. In case the Sudras would do so, molten lead and lac should be poured down their ears, if they try to listen to Vedic hymns, their tongues should be cut off and if they try to recite the hymns, iron dagger should be pierced into their bosom if they try to think or meditate over the Vedic tenets. In face of these illiberal and sectarian evocations, idealization of world brotherhood is a brazen and impudent act of mockery with the concepts of truth, justice and global ethics.In no case the Brahmanical concepts of god and incarnation can be applicable to the Buddha’s spiritual and meditative ideals based on his personal experiments and Enlightment. Main motive of the advocates of Hindutva and saffronished ideologues behind the campaign of proving the Buddha as god or incarnation of Vishnu is to denigrate and denounce the originality of the Buddha. This is clear cut a conspiratorial gesture of the Brahmanical school of religious theocracy expressed in the Padmapurana, Vishnupurana and the Ramayana . The Ramayana boldly states that the Buddha is a thief and as such he should be punished for his atheistic or nihilist approach to the Vedic tradition. The Buddha, however, fearlessly and frankly admits in the Majjhimanikaya and in the Anguttaranikaya and gloriously declared before an orthodox Brahmana : No, indeed, brahmana, a Deva am I not as a lotus, fair and lovely,by the water is not soiled,by the worlds am I not soiled,therefore, brahmana, am I Buddha sanchi03.In this way the Buddha decries to be an (Avatara) incarnation of Vishnu who is claimed to have born again and again in different periods to protect the righteous, to destroy the wicked for establishing the Dharma, which is actually an act of ruthless restoration of the rules of caste, creed and regionalism in the name of Varna system.

On the contrary, the Buddha states that countless are the gods who are also a class of beings subject to birth and death, but there is no one supreme god who controls the destinies of human beings and who possesses a divine power to appear on the earth at different intervals employing a human form as a vehicle. He empathetically exhorts in the Dhammapada that one should depend upon his own self for his deliverance since both acts of defilement and purification depend on oneself. One cannot directly purify or defile another being. One should himself make an exertion. The Tathagatas are only teachers.The Vedic ethics and religious norms do not permit the Kshatriyas or non-Brahmanas to preach or indulge in religious or philosophical discourse and so long as the Buddha hails from the non-Brahmanical clan, the Sakya clan he has been taken to task by the sacred scriptures of the Vedic school not to preach. But the Buddha did not care to pay any heed to it in the least, he took bid to assert over his discovery of the Middle Path he preached freedom of thought, freedom to refute any authority including his own. The Buddha has been considered to be an atheist for transgressing the established norms of the Vedic sacrificial culture. The well known Brahmanical thinker Kumarila Bhatta has ruthlessly criticized the Buddha and has mentioned that the ideals of non-violence, benevolence and restrains over the sense-organs are good but his anti-Vedic views deserve total rejection.

Similarly Sankaracharya has dubbed the Buddha as a Vainasaka, the destroyer of the past tradition. However, there is no place for god in the Dhamma preached by the Buddha. He supported the concept of rebirth but that also denies any place to soul or Atmaparamatma combination. He does not give any ascent to an idea of supernatural entity. The Buddha was cent-per-cent in favour of the dialectics of change. In a straight forward manner he admitted that he, in course of his life-struggle, took an aid to boat for crossing the river but did not carry it for ever as his property. In the Majjhimanikya , the Buddha states about his life-style based on Sila, Samadhi and Prajna and says this doctrine is profound, hard to see, difficult to understand, calm, sublime, subtle to be understood by the wise. The famous biographer of the Buddha, Narada Mahathera mentions that the base of Buddhism is Sila or morality and beyond morality is wisdom or Prajna which is an apex. He states that to understand exceedingly high standard of morality, the Buddha expects from his followers a serious perusal to the Dhammapada, the Sigalavadasutta, Vyagghapajjasiutta, Manglasutta, Dhammika sutta etc. In the Visuddhimagga , the Buddha asserts:no god, no brahma can found,no matter of this wheel of life just bare phenomena roll,dependent on conditions all!

Winternitz has interpreted it very clearly,the Nidanasamyutta (xiii), consists of 92 speeches and conversations, all of which, with endless repetitions, deal with the subject of the twelve Nidanas of the concatenation of causes and effects (Paticcasamuppada). The Anamataggasamyutta (XV), contains twenty speeches, of which all begin with the words: The beginning of this samsara, O monks, is entirely unknown (anamatagga), and explains this sentence by setting forth in ever varying comparisons and images the dreadful accumulation of suffering in the cycle of migration from innumerable ages of the world history.Early Buddhism has explained the origin of suffering or the discord of existence by the Paticcasamuppasa, i.e. the formula in which it is shown that all elements of the being originate only in mutual interdependence there is no independent and permanent ego, but merely a succession of corporal and physical phenomena which change every moment.

The Mahayana derives from the same formula the doctrine of Sunyata, i.e. the doctrine that all (is) void (Sarvam Sunyam) meaning devoid of independent reality (Winternitz). Through this materialistic approach the Buddha throws light on the process of birth and death. He simply shows the cause of rebirth suffering with a view to helping men to get rid of the ills of life. He does not propound philosophy of any evolution of the world. He does not claim to solve the riddle of an absolute origin of life. He merely explains the simple happening of a state, dependent on its antecedent state.In the Itivuttaka , the Buddha states, Those who have destroyed delusion and have broken the dense darkness will wander no more. Causality values no more for them. This scientific and serious view has been elaborated by Sariputta and Moggallana who were his contemporary chief disciplines. There followed a row of Buddhist scholars such as Mahakasyapa, Mahakatyayana, Asvaghosha, Nagarjuna, Asanga, Vasubadhu, Dhamakirti etc.

Of all, Dhamakirti has exposed five traits of ignorance (Jadata) of the Vedic tradition. These five traits are uncritical reliance on the evidence or the credibility of the Vedic authority, creativity of god, obsessive desire of realizing Dharma by taking bath in the Ganga , a conceited pride in casteism and tortuous penance for eradicating sin.

Contrary to this superstition an elaborate system of ethics of the Buddha is there which forbids taking of life, theft lying, abuse, slander, malice, covetousness, pride and a variety of forms of conduct and behaviour designed to make man morally whole. The Buddha inculcated the virtues of kindness, charity, goodwill and tolerance. In course of national movement in India in the wake of nationalism, Surendaranath Banerjee, instead of Vedic hymns and so-called the strong heritage of Hinduism (Brahmanism), declared the Buddhism could well be a means of realizing India’s political and spiritual rejuvenation. Romesh Chunder Dutt, in his Lays of Ancient India emphasized over moving inspiration emanated from Buddhism. EnlightenmentThere was a strong feeling among pro-Buddhist Hindus that Buddhism with its emphasis on self-reliance, endurance and sacrifice of property, personal assets could be a source of inscription to Indian nationalism. In the famous book, entitled the decline and fall of Hinduism, S.C. Mukherji, an eminent barrister, argued that with the decline of Buddhism the degeneration of Hindus had begun. He described the Buddhist period of Indian history as the Golden Age’ and the periods following with exceptions only to Asoka were periods of comparative decadence. In this way in socio-political aspects of our national life Buddhism leads us to the path of compassion, unity, justice and to global ethics free from caste, creed and regionalism. It teaches us lessons of self confidence and self reliance.

REFERENCES FOR RELEVANT STUDY:   

1. Maurice Winternitz, A History of Indian Literature , Vol. II (Buddhist Literature and Jaina Literature), 1 st Ed. (English). Prague , 1933; Indian reprint ed. Oriental Books Reprint Corporation, New Delhi , 1977.   2. Narada Maha Thera, The Buddha and his Teaching , Colombo , 1973.   3. Ananda Wickremeratne, The Genesis of an Orientalist , Motilal Banarasidass, Delhi , 1984.   4. Suttanipatta (Hindi), Ed. And Tr. By Bhikshu Dharmarakshita, Motilal Banarasidass, Delhi , 1988.   5. The Suttanipatta , Ed. By P.V. Bapat (with an Introduction in English), 1 st Ed., Poona , 1924, 2 nd Reprint by Satguru Publications, Delhi , 1990.   6. Rajendra Ram., A History of Buddhism in Nepal : A.D . 704-1396, Motilal Banarasidas, Delhi , 1978.   7. Rahula Sankrityayana, Darsana Digdarsana (Hindi), Kitab Mahal, Allahabad , 1 st Ed. 1944. 2 nd Reprint, 1992.   8. Rahula Sankrityayana Mahamanava Buddha (Hindi), Buddha Vihara, Lacknow, 1956.   9. Mahaparinibbanasuttam (Hindi), Ed. and Tr. By Bhikshu Dharmarakshita, Gyan Mandal Ltd. Varanasi , 1958.  10. Buddhacarita of Asvaghosha (Hindi), Tr. By S. Choudhary , Motilal Banarsidass, Delhi , 2000.  11. Yogendra Mishra (Ed. & Tr.), i (Hindi), Granthmala Karyalaya, Patna , 1 st Ed. 1965.  12. S K Biswas, Buddhism: The Religion of Mohenjodaro and Harappa Cities , Dalitbahujan Intellectual Forum of India , 1999 (Produced and Marketed by Orion Books, Delhi ).

 

The Ajanta Buddhist Caves , India

Standaard

Two thousand two hundred years ago work began on an extensive series of cave monuments in
Maharashtra, India.  Over a period of hundreds of years, thirty one monuments were hewn piece by
piece from the rock face.  Then, some speculate around the year 1000AD, they fell in to disuse.
Dense jungle grew around, hiding the caves away from human eyes.
They Ajanta caves lay undisturbed for hundreds of years.  Then, in April 1819, during the time of
the British Raj, an officer with the unassuming name of John Smith came rediscovered a doorway to
one of the temples.  He had been hunting tiger – something of which many would disapprove today
but his next step was disrespectful in the extreme.  He vandalised one of the walls with his name and
the date, something which is still visible today.
One can only imagine what went through Smith’s head when he made his find. Such a rediscovery did
not remain secret for very long.  Soon, European and Indian tourists were thronging to the site – after
extensive tidying up.  After all, the caves had been home to bat, birds and larger animals for hundreds
of years.  The Ajanti Caves had been returned to the world of the living.
The nearest human habitation is Ajinṭhā, a tiny village a few miles away from the caves.
The sanctuaries, which are known as chaytia-girhas date from the second century before Christ.
They were used primarily as prayer halls and are similar to an extent to the contemporary Roman
designs of arch and column.  However, these sanctuaries were carved from the immense rock face
of the caves, with chisels and, indeed, bare hands.
The first caves were hewn from the bare rock at the time of The Sātavāhana Empire which started
around 230BC.  The Sātavāhanas brought peace to India after several foreign invasions and the decline
of the previous, Mauryan Empire.  It is not without irony, then, that they were rediscovered by a
contemporary invader and representative of a foreign empire.
Although there is widespread debate about the time at which the second period of building took place
most now agree that it was probably during the reign of Harishena, from 460AD and over a period
of around twenty years.  This architectural flowering saw the creation of twenty temples which
were used as monasteries.
There are paintings everywhere – literally.  Every surface apart from the floor is festooned with
narrative paintings.  Time has taken a serious toll on these marvelous works with many parts simply
just fragments of what they were when first created.  The stories are almost wholly devoted to
Jātakas – tales of the Buddha’s previous lives.  These 547 poems were painstakingly and lovingly
painted on to the walls by devotees.

They were created using an ancient method.  The surface was chiseled so it was rough and could hold

plaster which was then spread across the surface. Then the master painter would, while the plaster was

still wet, commence his work.  The colors soaked in to the plaster and so became a part of the surface.

Although this meant that it would not peel off as easily, perhaps not even the painters foresaw

the temples persevering for over two thousand years.

No one knows for sure when and why the caves were abandoned – whether it was a gradual desertion
of some event of political and social magnitude took place which precipitated the neglect and final
vacation of the site.

Yet for hundreds of years the place remained forsaken, to be rediscovered that fateful day in
1819 by John Smith.