De boodschap van de Boeddha

Standaard

Lama Anagarika Govinda was een van oorsprong Duitse boeddhistische meester die heel goed zag dat de universele boodschap van de Boeddha zeker gevolgd kon worden in het Westen , maar dat iedere tijd en plaats eigen eisen stelt aan de beoefenaren. Hij pleitte voor een eigen westerse vorm van het Boeddhisme zoals er ook in het Oosten in de verschillende culturen, verschillende vormen zijn ontstaan die allemaal de Boodschap van de Boeddha uitdragen.Een zeer lezenswaardig stuk voor iedereen die zich laat iinspireren door de Boodschap van de Boeddha.

De boodschap van de Boeddha aan de

wereld van vandaag en morgen

door Lama Anagarika Govinda

Toen de Boeddha na zijn Verlichting het dierenpark van Benares bereikte, was hij slechts een eenzame zwervende monnik, een van de duizenden pelgrims per dag die een bezoek brachten aan deze heilige stad. Zijn vrienden hadden hem verlaten, en zijn familie had hem opgegeven – niemand wist iets van zijn grote overwinning. Er was geen enkel zichtbaar teken dat de wereld had kunnen overtuigen. En zelfs als het hem mogelijk zou zijn geweest door middel van wonderen en tekenen invloed op zijn omgeving uit te oefenen, dan nog zou de Boeddha wel de laatste zijn geweest om zijn toevlucht te nemen tot dergelijke middelen.

Niettemin droeg deze eenzame bedevaartganger in zijn hart het licht van een groots, nieuw inzicht dat het aanzien en het denken van een aanzienlijk deel van de mensheid zou veranderen.

Het is goed om dit beeld in gedachten te houden en niet te vergeten dat zij die hebben bewezen sterker te zijn dan machtige koningen en hun legers, sterker dan de tijd en zelfs ook sterker dan de dood, net als enkelingen onder ons eenzaam en verlaten door de onbarmhartige woestenij van samsara hebben moeten dwalen. Dit zal ons het vaste vertrouwen geven dat ook wij in ons innerlijk het zaad van de Verlichting dragen en dat het alleen van onze eigen inspanningen afhangt of wij dit zaad tot ontkieming en bloei zullen brengen. Vertrouwen stellen in onze eigen, innerlijke krachten – ziedaar het enige wat de Boeddha van ons verlangt.

Geopend zijn de Poorten der Onsterfelijkheid (amatassa);

vertrouw, al wie oren heeft om te horen!

Dat de Boeddha met dit ‘vertrouw’ (saddha) niet rekende op de lichtgelovigheid van de massa, blijkt uit het feit dat hij de eerste verkondiging van zijn leer richtte tot zijn vroegere medezoekers op het Pad, die hun vertrouwen in hem hadden verloren en hem met het grootst mogelijke wantrouwen tegemoet traden. Toen zij de Boeddha in het dierenpark naar zich toe zagen komen, besloten zij hem niet te verwelkomen of zelfs maar te groeten, maar hem in plaats daarvan te bejegenen met minachtende onverschilligheid. Maar wat gebeurde er? Toen de Boeddha hen naderde, stond de een na de ander op van zijn zitplaats en ging hem tegemoet. Zijn aangezicht getuigde van zijn grote spirituele triomf; zijn ogen hadden de diepe glans van de ogen van iemand die de mysteriën van het leven en de dood heeft ervaren en overwonnen; heel zijn persoonlijkheid straalde gelukzaligheid uit, alsof het innerlijke licht dwars door de uiterlijke vorm heen straalde.

Nooit hadden de gelaatsuitdrukking en gebaren van een sterveling grotere oprechtheid en overtuigingskracht geopenbaard dan die van de Boeddha in dit historische moment. Ze waren geboren uit diens verlangen om dit hoogste inzicht tot het heil van alle levende wezens ook te verkondigen aan anderen. Het was deze volmaakte eenheid van heel zijn wezen die zijn woorden de immense overtuigingskracht verleende die millennia overbrugt en in ons een weerklank vindt alsof deze woorden pas op dit moment worden uitgesproken. Heel de gelukzaligheid die de Boeddha tijdens de eerste weken na zijn Verlichting in de eenzaamheid van de bossen zwijgend had gesmaakt, is vervat in de plechtige uitroep die hij tot de vijf asceten in het dierenpark richtte:

Leen mij het oor, o monniken,

De verlossing van de dood is gevonden!

Merkwaardig genoeg is deze feestelijke boodschap onder de tegenwoordige boeddhisten bijna in vergetelheid geraakt, vooral onder diegenen in het Westen, die hebben geprobeerd in de leer van de Boeddha een pessimisme te zien, of een rationalisme dat een ontkenning van het leven zelf inhoudt. Echter, juist die eerste toespraak van de Boeddha, die met deze triomfantelijke woorden aanheft, is een glasheldere uiteenzetting van het fundamentele standpunt van zijn leer: het concept van een ‘Middenweg’ die even ver verwijderd is van een leven van egoïstisch genieten als van een leven van zelfkastijding en somberheid. Vrij van deze uitersten scherpt zij het oog, verschaft de geest duidelijkheid en leidt tot vrede, inzicht en Verlichting. De eis om uitersten te vermijden geldt niet alleen voor het leven van alledag, maar ook voor het geestelijk leven. Dit gaf de stoot tot een geheel nieuwe manier van denken en zelfs een nieuwe logica. witte wolkenHieruit zijn later de grote oosterse filosofische leringen ontstaan wier kern bestaat uit het concept van de betrekkelijkheid van alle verschijnselen. Deze gedachten zouden, als zij op de juiste manier worden begrepen, voor onze huidige wereld van de grootste waarde kunnen zijn. We zijn echter nog ver verwijderd van een waarachtig verstaan dat tot het levende besef van de verwantschap van alle levensvormen en tot het ontstaan van waarachtige verdraagzaamheid zou leiden. Dat verdraagzaamheid heel goed kan samengaan met vaste overtuiging, is aangetoond door de praktijk van de ‘Middenweg’ in de geschiedenis van het boeddhisme. Daarom denk ik dat het boeddhisme bij uitstek geschikt is om in onze wereld vrede en harmonie te brengen. Zoals een arts niet naar het geloof van zijn patiënt vraagt, maar naar zijn lijden, onderzocht de Boeddha het lijden van de mensheid. En toen hij het eenmaal had geanalyseerd, onderkende hij de oorzaak van het ontstaan van lijden en schreef hij tegelijkertijd de remedie voor: het ‘Verheven Achtvoudige Pad’ dat tot geestelijke gezondheid en harmonie en uiteindelijk tot het nirvana voert. De acht stadia van dit Pad zijn:

1. Het volmaakt inzicht

2. Het volmaakte besluit

3. Het volmaakte spreken

4. Het volmaakte handelen

5. De volmaakte levenswandel

6. Het volmaakte streven

7. De volmaakte aandacht

8. De volmaakte absorptie

Op dit Pad is niets te vinden dat niet door elk menselijk individu en iedere religie kan worden onderschreven. Het bevat uitsluitend datgene waarin alle religies met elkaar overeenstemmen en vermijdt alles wat tot tweespalt kan leiden.

Zo kent het boeddhisme geen geboden in de trant van ‘Gij zult’ of ‘Gij zult niet’, maar alleen termen als ‘Ik neem het besluit’, ‘Ik beloof mezelf’, ‘Ik neem op mij om’ en ‘Ik ben bereid de gevolgen te dragen’. Er is geen plaats voor zonde of verdoeming. Zolang de mens nog niet het juiste inzicht in de wetten van het leven en de aard van de dingen bezit, zal hij dwaas blijven handelen en eronder lijden. Dit lijden is echter geen vernederende straf, maar een natuurlijk gevolg dat hem helpt zijn les te leren, meer en beter dan de bevelen van een macht buiten hemzelf.

De Boeddha wees het geloof in een autoriteit van de hand. Hij verwachtte ook van zijn discipelen dat zij zijn leer niet tot een dogma zouden ‘verheffen’, noch dat zij zijn persoon zouden vereren als een autoriteit. Zo stelde hij zijn discipel Ananda eens de vraag of hij hem volgde omdat hij hem geloofde en vereerde, of omdat hij zijn leer, de dharma had begrepen en in zichzelf verwerkelijkt. Toen Ananda hem antwoordde dat hij de leer van de Boeddha volgde op grond van eigen inzichten, uitte de Boeddha zijn tevredenheid en verklaarde dat alleen hij iets heeft aan een leer die deze niet in blind geloof omhelst.

De Boeddha wenste dus niet dat zijn discipelen hem domweg op zijn woord geloofden; veeleer moesten zijn woorden een vertrekpunt zijn voor hun eigen besluiten en ervaringen. Zelfs aan de grootste kennis hebben we niets als we die niet door eigen inspanning hebben verworven. Daarom is het uitstippelen van het Pad dat tot verwerkelijking van de waarheid voert de voornaamste taak van een leraar. Want Verlichting wordt pas mogelijk door het slechten van alle hindernissen die het Licht bedekken.

Licht is universeel, maar ieder van ons moet het met eigen ogen zien. Het boeddhisme is, zoals de naam al zegt, de Weg naar Verlichting. Die weg werd – en dat was in de geschiedenis der religies nog niet eerder vertoond – gepropageerd door middel van een leer die zich tot alle mensen richtte en zich niets aantrok van verschillen op grond van kaste, stam, volk of cultuur. In plaats van een zichzelf verheerlijkende godheid die zijn genade uitstort over of toorn botviert op door hemzelf geschapen wezens, en in plaats van een blind lot, wees de Boeddha op een wetmatigheid die zowel in de macro- als microkosmos geldig is, de mens aan zijn eigen verantwoordelijkheid houdt en hem – als er op de juiste wijze gebruik van wordt gemaakt – in staat stelt om alle vermogens die latent in hem aanwezig zijn tot volledige ontplooiing te brengen.

De leer van de Boeddha heeft gedurende de vijfentwintig eeuwen van haar bestaansgeschiedenis als gevolg van de culturele, klimatologische en historische invloeden van d’e landen die zich voor de Boeddha-dharma openden diverse specifieke stromingen doen ontstaan, zoals in de landen van Zuid- en Noord-Azië en het Verre Oosten. Al deze specifieke richtingen en scholen hebben essentiële kenmerken van de dharma verder uitgewerkt en geassimileerd, zonder dat dit tot een breuk met hun eigen traditionele, oude cultuur leidde.

Wij westerlingen kunnen en moeten van deze – inmiddels zelf al traditionele – scholen leren, zonder hen te imiteren. Het zou namelijk een anachronisme zijn als we de in vroegere eeuwen verworven vruchten van geestelijke ervaringen klakkeloos overnamen, hoewel ze onder totaal andere culturele omstandigheden zijn ontstaan. Al even zinloos zou het zijn als we ons de resultaten eigen maakten van een manier van denken die stoelt op ervaringen die wij nooit zelf hebben opgedaan. Anders gezegd: het is niet voldoende om zich gevoelsmatig met de een of andere fase van het boeddhisme te vereenzelvigen. Net zoals het embryo in de moederschoot alle fasen van de menswording in sneltreinvaart opnieuw doormaakt, moeten wij veeleer zelf alle geestelijke ontplooiingsstadia van de leer van de Boeddha op alle niveaus van ons wezen ervaren.

Het spreekt vanzelf dat de intuïtie – het inlevingsvermogen en het vermogen de dingen persoonlijk te ervaren – een grote rol speelt. Zolang de intuïtie echter niet tot een duidelijke expressievorm in ons denken leidt, kan zij geen invloed uitoefenen op ons leven; zij loopt dan het risico verloren te gaan in een mist van onbestemde gevoelens, dromerige voorstellingen en visioenen, want geen enkele kracht kan werkzaam zijn zolang zij niet is gevormd en gericht.

Aan de andere kant moeten gedachten en inzichten of waarheden die alleen nog op het intellectuele vlak zijn ontwikkeld, hun bevestiging vinden in de rechtstreekse ervaring van een zelf beleefde werkelijkheid, willen ze de macht bezitten om ons leven te veranderen en ons in de kern van ons wezen te vormen.

Mensen die in hun denken verstrikt blijven, zijn de gevangenen van hun eigen hersenspinsels die hen steeds nauwer omsluiten. Aan de andere kant worden mensen die alleen op hun min of meer vage intuïtie afgaan (wat is tenslotte de maatstaf waarmee we waarachtige ingevingen zouden kunnen onderscheiden van intuïtie zonder meer?) de gevangenen van hun gewaarwordingen en gevoelens van het moment.

Daarentegen maken zij wier denken en intuïtie in harmonie met elkaar zijn het beste van beide vermogens gebruik: zij genieten enerzijds van de vrijheid van een door geen enkel concept gebonden intuïtie, en anderzijds van de scheppingsvreugde die voortvloeit uit het samenvoegen van de bouwstenen van de intuïtieve ervaring tot het verheven bouwwerk van een allesomvattende wereldbeschouwing – een bouwwerk dat voortdurend groeit en zijn bekroning vindt in het stralende juweel van de volmaakte Verlichting dat het bouwwerk voltooit.

Deze daad – het assimileren van de Boeddha-dharma – is een creatief proces, uitmondend in een nieuwe vorm. Het boeddhisme kan alleen wortel schieten in het Westen als ook wij onze stenen bijdragen aan de verdere ontplooiing van de dharma en deze al doende vervullen van nieuw bloed en nieuwe levenskracht. De leer van de Boeddha is geen geloofsovertuiging, maar een religie die steunt op ervaring en inzicht – een religie die in elk individu opnieuw geboren moet worden. Daartoe moeten we ons echter losmaken van de heerschappij van achterhaalde concepten (die ons gemakkelijk laten verstarren in een verstikkende dogmatiek). Ook zullen we ervoor moeten waken dat we ons door de overeenkomsten met bepaalde formuleringen van denkers als Kant, Schopenhauer of Franciscus van Assisi, Meester Eckehart – of van de christelijke mystici, de moderne existentialisten en de moderne psychologie en wetenschappen – laten verleiden tot een alles nivellerende, vergelijkende godsdienstwetenschap die op de keper beschouwd alles en niets gelooft en dat voor ‘verdraagzaamheid’ verslijt. We kunnen iedere geestelijke expressievorm – los van de vraag of we die persoonlijk kunnen onderschrijven of niet – respecteren als een schepping van het rijkgeschakeerde leven, net zoals we in een fraaie siertuin de verscheidenheid aan planten bewonderen zonder onze eigen voorkeur tot een beoordelingsmaatstaf te verheffen. Als onze geest een alerte, ontvankelijke houding bewaart, zal hij zich voor niets afsluiten, maar alles wat echt is feilloos onderscheiden van het gekunstelde.

Zo zouden we het tegenwoordig zo in de mode zijnde syncretisme moeten vermijden, dat bijvoorbeeld begrippen als nirvana en ‘eeuwige zaligheid’ over één kam scheert teneinde de ‘overeenkomstigheid van alle religies’ aan te tonen. Ook zouden we ervoor moeten waken in een heilige een volkomen en niet tot verdere ontwikkeling in staat zijnd, in zijn volmaaktheid verstard individu te zien dat al wat menselijk is heeft afgeschud en – vervuld van ‘alwetendheid’ – niet meer gevoelig is voor welke menselijke emotie dan ook (behalve dan misschien een vaag soort medelijden met de massa dwazen om hem heen). Een dergelijke heilige, die niet meer bij machte is te veranderen, is geestelijk morsdood, zoals alles dood is dat zich afsluit voor de wet van het stromende leven dat vervuld is van mogelijkheden tot verandering.

De heilige zoals wij boeddhisten hem verstaan is een ‘heel geworden’ individu dat alles wat naar hokjesgeest en vooroordelen zweemt heeft afgezworen en volkomen open en transparant is geworden, in staat om ook het onbegrijpelijke te accepteren. Hij is een mens die openstaat voor alle mogelijke ervaringen en daarom ontvankelijk is voor alles wat hij nog niet heeft ervaren. Met andere woorden: iemand die niet langer weerstand biedt aan verandering en transformatie en zich daarom in de volheid van het leven kan verheugen. Hoewel latere boeddhistische scholen de Boeddha ‘alwetendheid’ toedichten, zouden we niet ter wille van het ‘historische karakter’ van die bewering iets moeten accepteren dat in strijd is met alles wat de klassieke religieuze teksten ons over de persoonlijkheid van de Boeddha vertellen. Een ‘alwetende Boeddha’ zou namelijk een wezen zijn dat verstoken is van het vermogen tot ervaren en deelhebben aan.

Zonder twijfel was de Boeddha een man die zijn tijd ver vooruit was, maar die zich, om te zorgen dat hij door zijn tijdgenoten werd begrepen, bediende van het idioom van zijn tijd. Hij was iemand die het springlevende karakter van zijn geest had weten te bewaren en in staat was alle problemen van zijn tijd glashelder te doorzien. Elk tijdsgewricht heeft echter zijn eigen problemen, en de Boeddha deed niet alsof hij in het bezit was van de oplossing voor problemen die nog niet eens waren ontstaan. Aan de andere kant was hij ook geen verzamelaar van intellectuele kennis. De opeenstapeling van dat soort kennis kan nooit het kenmerk zijn van een ‘erudiete’ persoonlijkheid, want zolang die kennis niet is getransformeerd tot de ervaring die vorm heeft gegeven aan het eigen leven, kan niet werkelijk van ‘eruditie’ worden gesproken.

Waar de Boeddha aan zijn lering van het ‘niet-weten’ (avidya) een bijzondere, centrale rol heeft toegekend, dienen we ons er voortdurend bewust van te blijven dat dit ‘niet-weten’ in geen geval verwijst naar gebrek aan feitenkennis, maar juist naar het negeren van de innerlijke ervaring, het niet-onderkennen van onze eigen natuur door deze een afzonderlijk en onveranderlijk ego toe te dichten.

Een aldus tot stand gekomen ‘ik’-begrip – dat ons een eeuwigdurend, altijd gelijkblijvend ik of zelf (of ‘ziel’) voortovert – wordt steeds opnieuw geabstraheerd door het ervaren van de gecentreerdheid van elk levensproces. Als we echter het leven respectievelijk de natuur observeren, zien we dat er zich in feite een proces voltrekt waarin de bewustzijnsinhouden van het moment worden gefocust – een proces van voortdurende verandering.

Hoe meer ons bewustzijn zich bezighoudt met gedachten die steunen op louter abstracte begrippen, des te minder leven we in de werkelijkheid, dat wil zeggen, in de rechtstreekse ervaring. Concepten laten met zich schuiven, net als de figuren op een bordspel, en wel volgens de spelregels die we ‘logica’ noemen. Net zoals er bij verschillende bordspelen uiteenlopende spelregels horen, bestaan er echter ook tal van logische systemen die ieder op zich sluitend zijn, zodat we niet het ene logische systeem ‘juist’ en het andere ‘onjuist’ kunnen noemen.

Als we nu ter wille van een goed begrip met concepten werken, zullen we onszelf steeds opnieuw bewust moeten maken van de erachter schuilgaande ervaringsinhouden en ervaringen en deze mee moeten laten resoneren, als we niet willen verzanden in het moeras van holle metafysische speculaties die door de Boeddha steevast van de hand werden gewezen. Om die reden moeten we vooral bij de uiteenzetting van de Boeddha-dharma een kritische houding aannemen tegenover alle termen die in westerse talen worden gebezigd als ‘equivalenten’ van de overgeleverde Sanskriet- en Pali-begrippen. Kortom, we dienen elk concept dat we tot nu toe klakkeloos hebben overgenomen, aan een strenge kritische beschouwing te onderwerpen. Als boeddhisten zijn we geroepen om de waarheid van datgene wat de Boeddha onderrichtte zelf te ervaren. En daarom moeten de concepten weer datgene worden gemaakt wat ze zijn geweest: vingers die ons de weg wijzen.

Neem bijvoorbeeld het boeddhistische begrip anicca (Sanskr.: anitya), dat steeds als een negatieve factor werd uitgelegd doordat het woord werd vertaald als ‘vergankelijk’. Anicca betekent echter niet alleen het vergankelijk zijn, maar tegelijkertijd ook ontstaan, een nieuw begin, groei. Nicca betekent ‘eeuwig’, ‘(voort)durend’, en a-nicca ‘niet-eeuwig’, ‘niet-durend’. Omdat we de eeuwigheid tot een ideaal hebben verheven, zonder te beseffen dat we ons lieten verleiden door een door ons abstraherende verstand zelf geschapen begrip dat geen grondslag bezit in de werkelijkheid, klampen we ons aan dit begrip vast en interpreteren we iedere verandering als een vorm van verval of vernietiging. Verandering – of beter gezegd, transformatie – is nooit alleen vernietiging, maar in even grote mate wording, geboorte of wedergeboorte: de omzetting in iets nieuws. Want als de oude voorwaarden niet werden opgeheven, zou er niets nieuws kunnen ontstaan. Als lijden eeuwig was, zou er ook geen verlossing, geen overwinning van het lijden mogelijk zijn. En tot slot: is gelukzaligheid denkbaar zonder de tegengestelde ervaring? Is ‘eeuwige zaligheid’ geen contradictio in adjecto? De emotie van gelukzaligheid staat of valt met verandering, anders zouden we in eeuwige verveling leven, wat ongetwijfeld de ergste vorm van lijden is. Door ons vast te klampen aan dingen en toestanden, proberen we verandering te mijden. We gedragen ons als een vrek die op zijn geld zit te verhongeren. Het gegeven dat de dingen niet eeuwig zijn, zou ons moeten leren dat we ze niet moeten begeren, maar ervan mogen genieten zolang ze er zijn, zonder dat we ons eraan hechten. Niet vergankelijkheid is de oorzaak van ons lijden, maar onze gehechtheid, onze begeerte, onze dorst.

Met andere woorden: niet anicca is de oorzaak van het lijden, maar ons verlangen naar bezit. Dat is de reden waarom mensen zich terugtrekken in de eenzaamheid en kluizenaar of sanyasin worden: zij willen zich van alle bezit onthechten. Diegenen die daarin slagen, lijken heilig in onze ogen. Dat zijn zij echter alleen als hun geest helder en doorzichtig is geworden – en niet als zij in de waan verkeren dat ze niets meer hebben te leren. Wie het vermogen tot verdere groei verloren heeft, is dood. Stilstand ‘s de dood!

Niet hij is wijs die vele dingen weet, maar hij die altijd bereid is zijn kennis te verdiepen. Onwetendheid is het kenmerk van een niet tot opnemen bereid zijnde, zich afsluitende geest, ongeacht de vraag of hij veel of weinig feitenkennis heeft verzameld. Wijsheid is daarentegen het kenmerk van een ontvankelijke geest, en nirvana, het vrij zijn van haat, hebzucht en waan en vooral ook vooroordelen, is de volmaakte ontvankelijkheid voor alles wat het leven te bieden heeft.

Advertisements

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s