‘Voor een vrijheid die te ver gaat’

Standaard

© ANP.
VK OPINIE Dit is de toespraak die Kustaw Bessems op 5 mei hield bij de vrijheidslunch van het Amsterdams 4 en 5 mei comité, getiteld: ‘Voor een vrijheid die te ver gaat’.

Dames en heren, goedemiddag,

Aan bier moet ik denken. En aan thee. En aan een T-shirt. Aan koffie, aan wijn en aan water.
Dat komt door de vlucht van Chen Guancheng.
Chen is de Chinese, blinde advocaat die – terwijl ik dit schreef – probeerde met zijn gezin aan zijn thuisland te ontkomen naar de Verenigde Staten. Hij vertegenwoordigde ooit in een juridische strijd tegen de staat vrouwen die zeiden dat zij gedwongen waren een abortus te ondergaan. In 2006 werd hij tot vier jaar gevangenschap veroordeeld. Voor vermoedelijk in elkaar geflanste aanklachten: vernieling, verkeershinder. Sinds zijn vrijlating hield de politie hem en zijn gezin onder huisarrest. Als hij weg wilde werd hij met een stok geslagen.
Chen ontsnapte van de week naar de Amerikaanse ambassade, maar verliet die weer uit vrees dat zijn gezin zou worden mishandeld. Hij smeekte vervolgens de VS om hem én zijn vrouw en kinderen uit China weg te halen en kreeg uiteindelijk een studievisum, als China hem daadwerkelijk zou laten gaan.

Het bier dat ik te drinken kreeg, was van de hoofdsponsor, in het Holland Heineken House, tijdens de Olympische Spelen in Beijing, bijna vier jaar geleden. Op het podium waren sporters aan het hossen. Jeroen van der Boom zong heel hard het lied ‘Jij bent zo’. Tevreden stelde een zongebruinde functionaris uit de sportwereld vast dat de Spelen organisatorisch op rolletjes liepen. ‘Als ze in China een stadion willen neerzetten’, zei hij, ‘dan zétten ze ook een stadion neer. Daar kunnen we in dat stroperige Nederland met zijn eindeloze beroepsprocedures nog wat van leren.’

 Hij had gelijk dat de inwoners van Beijing wier huizen ten gunste van die stadions waren gesloopt en die zelf naar het platteland waren gedeporteerd, weinig succes hadden gehad met beroepsprocedures.
Ik moet denken aan de thee die ik dronk bij een andere advocaat thuis, Teng Biao. De Spelen waren in volle gang en het was de middag dat hij op het punt stond de stad te verlaten. De meeste dissidenten waren al weg. Op gedwongen ‘vakanties’ of zelfs ontvoerd. De geheime dienst belde Teng elke dag: dat hij maar beter kon vertrekken en niet met de pers moest praten. Teng bleef zo lang als hij verantwoord vond om toch nog wat journalisten te woord te kunnen staan. Hij wees me op de parkeerplaats buiten, waar hij een paar maanden daarvoor in een busje was gesleurd, waarna hij twee dagen lang met een zak over zijn hoofd was geslagen.
‘Dat ze activisten arresteren, journalisten vasthouden, allemaal in naam van sociale stabiliteit, maakt me heel boos’, zei Teng, zonder overigens boos te klinken. Ja, hij had gehoord dat onze leiders dialoog voerden met China. Maar er was ook protest nodig, zei hij.
In de deur van zijn appartement zwaaide hij me uit, met zijn dochter van acht maanden op de arm. Hij droeg een T-shirt met een portret van de blinde Chen Guangcheng erop.
Later zou Teng zelf maanden vastzitten, omdat hij opkwam voor zijn collega.
Ik moet denken aan de koffie die ik kreeg van de kunstenaar Ai WeiWei. Tegenwoordig, na een maandenlange vermissing, ook onder huisarrest. Voor belastingontduiking. Zeggen ze. Ai had meegewerkt aan het ontwerp van het Olympisch stadion, het ‘Vogelnest’, maar hij had zijn handen daar vanaf getrokken toen het tot hem doordrong dat de openingsceremonie zou worden gebruikt om voor de wereld een sprookjesversie van zijn land te verheerlijken.
‘In de grote angst dat China niet genoeg medailles zou winnen’, legde Ai uit in zijn atelier, ‘of dat iets mis zou gaan met de organisatie van de Spelen, ziet u de werking van de totalitaire staat. Iedereen verantwoordelijk maken voor één klein deel van het nationale succes, en o wee als dat niet goed gaat’, aldus Ai.

De mensen die ons voorspelden dat de Spelen meer vrijheid zouden brengen in China, hebben die eigenlijk ooit verantwoording afgelegd? Heeft Erica Terpstra nog wel eens gereflecteerd op haar optredens? Geconfronteerd – destijds – met de gevangenschap van Chen Guangcheng, begon zij over het afzien van de sporters die zo lang hadden getraind. Wat zou zij denken na de latere arrestatiegolven over haar voorspelling dat de magic van de Spelen juist reuzegunstig zou uitpakken?
En hoe staat het nu het met het protest waar Teng Biao toen om vroeg? Het is er minder dan ooit. Het is omzichtigheid troef. Juist deze week bezocht de Amerikaanse minister Clinton van Buitenlandse Zaken Beijing voor de ‘Strategische en Economische Dialoog’. Chens wanhoopsactie had voor haar niet slechter kunnen uitkomen. Amerikaanse topdiplomaten poogden de zaak eerst glad te strijken, want China werd er boos van. Ze spraken met hun Chinese evenknieën af dat Chen in China samen met zijn gezin zou kunnen samenleven en onbelemmerd mocht studeren. Daarna lieten ze Chen in z’n eentje in een ziekenhuis. Vanuit dat ziekenhuis maakte Chen bekend dat politiemannen zijn vrouw twee dagen aan een stoel hadden vastgebonden, met stokken hadden gedreigd haar dood te slaan en zelfs hun intrek in het huis hadden genomen.
‘Een brede relatie die vele facetten kent’, zo noemde de woordvoerder van president Obama de verhouding met China, toen hem naar de zaak werd gevraagd. ‘Een gepast evenwicht zoeken bij het opkomen voor mensenrechten in strategisch belangrijke landen als China’, was de tekst van Obama’s veiligheidsadviseur.
Wij kennen de standaardformules ook wanneer onze regering contacten met China heeft. Er is altijd een ‘open en constructief gesprek’ en de mensenrechten worden daarbij ‘aan de orde gesteld’.

Wetenschappelijke theorie moet stutten dat een confronterende aanpak in China niet werkt. Nee, de ‘receptorbenadering’, zoals dat wordt genoemd, is beter. Niet te veel in het openbaar doen, niet de Dalai Lama ontvangen, niet provoceren. Nee, zoeken naar aanknopingspunten voor mensenrechten ín de Chinese cultuur. Dan kun je bijdragen aan beter bestuur, onafhankelijker rechters en armoedebestrijding.
Vrijheid van meningsuiting valt altijd een beetje weg in de pleidooien voor de receptorbenadering.
Je zou wensen dat dit ouderwets cultuurrelativisme was, zo van: dat pást niet in de hoffelijke, Chinese groepscultuur, al te veel vrije expressie. Het is platter: China is groot en machtig en wij passen ons aan. Lees Joshua Kurlantzicks ‘Charmoffensive’ en zie hoe China’s zachte macht de wereld veroverde. Of nog sneller: kijk bij Google News of in Lexis Nexis hoe vaak Nederlandse media klakkeloos berichten overnemen van Xinhua, het persbureau onder totale controle van de Chinese staat. We maken de Chinese waarheid onze waarheid, omdat dat beter uitkomt.

Vorige zomer togen Nederlandse schrijvers naar de Boekenbeurs in Beijing. Amnesty International vroeg hen om een speldje op te doen. Dat was een replica van het kunstwerk ‘The Empty Chair’ van Maarten Baas, die ook het tafelkleed heeft ontworpen waaraan u vanmiddag uw bevrijdingsmaaltijd nuttigt. De stoel was een eerbetoon aan Liu Xiaobo, de mensenrechtenactivist die in 2010 zijn Nobelprijs voor de Vrede niet kon ophalen omdat hij gevangen zat. Dat zit hij nog. Maar de Nederlandse schrijvers wilden geen speldje op. Een van hen, Herman Koch zei: ‘Wij zijn hier als een groep schrijvers, maar ook als vrije individuen die in vrijheid met iedereen moeten kunnen spreken, zonder dat onze gesprekspartners door een speldje van een actiegroep worden afgeschrikt of in verlegenheid gebracht. Alle collega’s die ik hier sprak hadden het speldje, net als ik, direct na ontvangst in de prullenbak gegooid.’
Koch had dus juist door geen speld te dragen de vrijheid gediend, meende hij. En ook nog, hoe nobel, die arme Chinezen beschermd tegen dat brute Amnesty met zijn gemene rotspeld.
Volgens het Letterenfonds werden op die beurs zestig Nederlandse titels verkocht.
Ook dichter des vaderlands Ramsey Nasr, in eigen land toch royaal met het uitdelen van het etiket ‘fascist’ – hij speelt een prominente rol in de 5 meiviering vandaag – werd in China ineens voorzichtig. Tot hij Ai WeiWei ontmoette – de kunstenaar van het Vogelnest. Nasr beschreef achteraf in Vrij Nederland – en het pleit voor hem dat hij dit deed – hoe Ai hem de les las. Die hield hem voor: ‘Als je in een land bent waar kunstenaars, schrijvers worden opgesloten, constant achtervolgd, monddood gemaakt – dan moet je er iets over zeggen. Anders ga je er deel van uitmaken.’
Nasr schreef: ‘Mijn hoofd wordt zwart. Waarom hoor ik dit nu pas?’
Ja. Waarom hoorde hij dat toen pas? Waarom hoort een geëngageerde Nederlandse schrijver en dichter pas ter plekke van een Chinese dissident hoe hij een Chinese dissident kan helpen?
Waarom gooien schrijvers kunst in de prullenbak, op het moment dat zij afreizen naar een totalitaire staat?
Waarom buigen wij voor de terreur?

Onder meer, denk ik, omdat we van rust houden. En van redelijkheid. Van nuance. We houden, eigenlijk net zoals De Partij in China, best van sociale stabiliteit.
Want niet alleen in de omgang met de grootmacht China zit die enorme discrepantie tussen de inzet van moedige vrijheidsstrijders ter plekke en de halfhartige steun die wij ze bieden – áls we die al bieden.

Vrijheid ??? of vrouwenonderdrukking en theocratie ???Daarom moet ik moet aan wijn denken. De wijn die Mona El-Tahawy een paar weken geleden omstootte, toen ik met haar in een net geopend café-restaurant zat in Harlem, New York. NRC Next drukte gisteren haar essay ‘Waarom haten ze ons?’ af, waarin zij betoogt dat de revolutie in het Midden-Oosten alleen kan slagen als het systeem dat vrouwen onderdrukt daar wordt gesloopt. Mona had die avond in Harlem nog ijzeren pinnen in haar onderarmen – die met een operatie zullen worden verwijderd – maar ze kon haar handen weer gebruiken. En het leek wel of ze er bij het praten extra mee wapperde – toen ging dat glas om. Haar hand en een onderarm waren gebroken nadat de militaire politie haar in november had opgepakt op het Tahrir plein in Cairo, waar zij demonstreerde. Ze werd mishandeld en aangerand. Haar eerste tweet na vrijlating: ‘The whole time I was thinking about article I would write; just you fuckers wait.’
Sindsdien is ze al weer vaak terug geweest naar Tahrir, aanvankelijk met beide armen in het gips. Het stuk over vrouwen is het eerste dat zij weer met tien vingers heeft getypt. Er is veel kritiek op dat artikel: ze scheert alle Arabische mannen over één kam, ze overdrijft, ze kiest niet de juiste toon, ze gaat te ver.
Ik zou zeggen: ze rekt de marges op van wat kan worden besproken.
Haar stelling is: ‘We moeten nooit kiezen tussen vrijheid en stabiliteit.’ En ze was in Harlem even strijdbaar als altijd. Maar ook teleurgesteld en bitter. Niet over de revolutie. Ze wist wel dat die lang zou duren en die gaat wat haar betreft door en zij ook, desnoods tot haar laatste adem. Wel over het gebrek aan steun in het westen, juist van mensen die zij – ze identificeert zich als sociaal-democrate – links noemt. Ze windt zich erover op dat diegenen die zij als geestverwanten zou willen zien, zich lijken neer te leggen bij een keus tussen de militaire onderdrukkers of de Moslimbroederschap. Waar is de onomwonden steun voor de compromisloze voorvechters van vrijheid zoals zij? Hoe kan het dat de Moslimbroederschap wordt vergoelijkt, gematigd wordt genoemd?
Van de midden-oostendeskundige die ons inprent hoe gelukkig we moeten zijn dat de broederschap geweld heeft afgezworen. Tot de parlementariër die de invloed van de islamisten berustend beschrijft als een fase waar Egypte maar doorheen moet.
Dat is niet het revolutionaire vuur waar Mona op hoopt. Het is waarschijnlijk te kort door de bocht om gewoon vóór haar en haar bondgenoten te zijn, die dromen van gewetensvrijheid, gelijkwaardigheid tussen seksen en bevolkingsgroepen en van open debat. Om gewoon vóór de goeien te zijn.
Dat zal wel contraproductief werken, of zoiets.

We houden van redelijkheid. Van nuance. We houden van sociale stabiliteit.
Dat mag niet verbazen. In ons land, op ons continent, zijn we onvoorstelbaar vrij vergeleken met andere streken. Maar ook hier is de hang naar rust nooit ver, ook hier worden de consequenties van vrijheid niet altijd aanvaard.
In Oostenrijk is de FPÖ-politica Elisabeth Sabaditsch Wolff niet lang geleden in hoger beroep veroordeeld omdat ze iets lelijks heeft gezegd over de profeet Mohammed. Klassieke breidel. Kende u die zaak? Zo niet, rekent u het zich niet aan. De breed gedeelde, luid vertolkte verontwaardiging van Europese intellectuelen is geloof ik uitgebleven.
In Frankrijk is zonder al te veel rumoer een wet aangenomen die het ontkennen van de Armeense genocide strafbaar stelt. Niet alleen dictaturen kennen een van overheidswege afgedwongen, officiële versie van de geschiedenis.
En hier in Nederland probeerde een Kamermeerderheid pas een shariageleerde de toegang tot het land te ontzeggen omdat hij – te oordelen naar zijn uitspraken elders – mógelijk iets zou zeggen dat niet is toegestaan onder het ruime arsenaal aan wetten dat in ons land de vrijheid van meningsuiting inperkt. ‘Gelukkig’, zei ChristenUnie-parlementariër Joël Voordewind, ‘is vrijheid van meningsuiting niet het hoogste goed in de wereld’.
Gelukkig.
Ik moet denken aan het water dat die prediker, Haitham el-Haddad, wilde drinken bij het debat in De Balie. Want hij mocht uiteindelijk komen. Hij wilde water, maar niet te koud. Iedereen gaf hem te koud water, zei hij, en dat was niet gezond. In zíjn ideale samenleving, Saoedi-Arabië, dreigt voor journalist Hamza Kashgari de doodstraf omdat die wat mild-kritische dichtregels over de profeet heeft getwitterd. In de onze, krijgt Al-Haddad alle ruimte om zijn verwerpelijke pleidooi voor de invoering van islamitische wetgeving te houden. En om te klagen over de temperatuur van zijn watertje. Niet iedereen ziet in dat zijn aanwezigheid een triomf was op zijn ideeën.

We houden van rust en redelijkheid. Van nuance. En van stabiliteit.
We vinden het niet prettig als onze vrijheden, die we zeggen te koesteren, ook echt tot in het uiterste worden benut.
Wij zijn het land dat Ayaan Hirsi Ali uitkotste, omdat zij – zoals Laurens Jan Brinkhorst dat noemde – de vrouw was die een sigaret opstak in een munitiedepot.
Ik noem haar naam expres, omdat je die nooit meer hoort. Omdat ie irriteert. Geen credits voor het feit dat zij het taboe op geloofsdwang heeft doorbroken. Evenmin voor het feit dat zij ruimte maakte in het debat over de islam, waardoor andere moslims en ex-moslims, ook of juist zij die zich van haar distantiëren, daar in grotere vrijheid over kunnen spreken.
Ze is een van de vele lastige vlekjes die we hebben weggepoetst.

In China verwaarlozen we Chen. En Teng. En Ai.
In het Midden-Oosten Mona en haar vrienden.
In onze eigen streek vijlen we de scherpe randjes van onze vrijheid en verstoten we de lastpakken.
En zelfs in het verleden, in de laatste periode dat het in Nederland echt erop of eronder was – de periode waaraan vandaag 67 jaar geleden een eind kwam – zelfs daarin zien we alleen nog grijstinten.
Simpel uitgelegd, aan de hand van drie historici:
Ten tijde van Loe de Jong keken we alleen maar wie er goed was geweest in de oorlog en wie fout.
Na Hans Blom beseften we dat geschiedschrijving meer is dan kijken wie goed was en wie fout.
Maar sinds Chris van der Heijden doen we of goed en fout niet eens bestonden: iedereen deed maar wat in de oorlog, men wist niks, het overkwam de mensen maar.
Het herdenken van daders, dat dit jaar zo opgeld doet, voorziet in een behoefte. Als dat doorzet, maakt het alles makkelijker voor ons. Het ontslaat ons van de last van het kiezen, van enige verantwoordelijkheid, we kunnen ons overgeven aan het lot dat ons wordt toebedeeld.
Zo hebben we ook in ons verleden de rust en de redelijkheid gevonden, de nuance en de stabiliteit.
En wanneer wij ons wortelen in een geschiedenis die geheel en al troebel was, voelen wij ons gesterkt om ook de wereld van nu niet al te scherp te zien.

Het is 5 mei, bevrijdingsdag. Vanaf vandaag in Amsterdam gevierd met bevrijdingsmaaltijden. Geniet u bij uw maaltijd van uw redelijke gesprekken. Maar mocht u daarbij uw glas heffen, wil dan – tegen de keer in – het volgende overwegen: dat in de strijd voor de vrijheid, ook de onze, het verschil nooit gemaakt wordt door de liefhebbers van nuance, stabiliteit, grijstinten en toeval, maar door de liefhebbers van een vrijheid die naar de maatstaven van hun tijd en hun omstandigheden veel te ver gaat.
De dempende krachten zullen er altijd zijn en altijd sterk zijn. De reflex van de rust zal onuitroeibaar blijken. Maar het verschil wordt niet gemaakt door mensen die tevreden vaststellen dat het glas halfvol is. En ook niet door mensen die het houden bij de klacht dat het glas half leeg is. In de strijd voor de vrijheid maken zij het verschil die hun glas willen vullen tot de boel over de rand klotst om het daarna, met volle teugen, tot op de bodem leeg te drinken.

Dankuwel.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s