De stroom ingaan

Standaard

Samuel Bercholz en Sherab Chadzin Kohn hebben onder de titel ‘De stroom ingaan … Boeddha’s leven en leer’ een aantal teksten van boeddhisten gebundeld voor iedereen die meer wil weten van het boeddhisme. Sherab Chadzin Kohn heeft daar een hoofdstuk over het leven van Boeddha en een over de geschiedenis van het boeddhisme aan toegevoegd. Wellicht de belangrijkste barrière voor een goed begrip van (varianten van) het boeddhisme is het grote verschil dat er bestaat tussen de westerse cultuur waarin de lezer zal zijn opgegroeid en de benadering van leven en werkelijkheid in het ‘Oude Oosten’.

Het is niet bedoeld als een gering compliment te zeggen dat deze bundel daar voor een deel in lijkt te slagen. Alle citaten en verwijzingen in het volgende betreffen dit boek.
Wanneer een cultuur zich laat kennen door de wijze waarop men de dood tegemoet treedt dan is het boeddhisme wezenlijk anders dan onze westerse cultuur. Wij westerlingen zien een strikte scheiding tussen leven en dood. Ontzetting, respect en mededogen zijn een uitdrukking van een diep geworteld besef dat de dood fundamenteel anders is dan het leven. Iemand die niet sterft, moet niet denken te weten wat het is om te sterven. Dat te ontkennen geldt als een grove lichtzinnigheid. De stervende mens bevindt zich per definitie in een uitzonderingspositie. Dat verklaart misschien ook dat de omgang met stervenden een specialisme geworden is. Stervensbegeleiding en rouwprocessen zijn technische termen, hoe compassievol ook geinterpreteerd.
Maar in het boeddhisme, en eigenlijk in het gehele Oosten, ligt dat een graadje anders.

Lugubere grap?

Toen ooit eens een vrouw na het overlijden van haar zoon bij de Boeddha kwam in de hoop dat hij hem weer tot leven kon wekken, stuurde de Boeddha haar weg met de opdracht om in de dichtstbijzijnde stad een handvol mosterdzaad te halen bij de familie waar nog nooit iemand gestorven was. Na een lange zoektocht in de stad drong het tot de vrouw door dat zo’n familie niet bestond.

Het lijkt alsof er hier sprake is van een lugubere grap. De vrouw wordt niet gezet in de uitzonderingspositie die ze op grond van haar verdriet lijkt te verdienen. Boeddha’s haast laconieke houding is in het boeddhisme en de traditie waarin het boeddhisme ontstaan is alom geaccepteerd. Ook de vrouw van zo-even zag uiteindelijk het gedrag van de Boeddha als een wijze les.
Bezie ook de manier waarop de Thaise monnik Ajahn Chah een volgelinge van hem benadert op het moment dat zij, op hoge leeftijd gekomen, op sterven ligt. Dit tafereel staat beschreven in hoofdstuk 7 van voornoemde bundel. Geen woorden van troost, geen stamelend blijk van medeleven, geen ‘het is goed geweest’. Haar voorbije leven wordt niet tot een fraai en rustgevend beeld opgewerkt, en ook wordt ze niet gewezen op een paradijselijk hiernamaals waar ze vrij zal zijn van pijn en vermoeidheid of waar ze, wie weet, oude bekenden zal ontmoeten. Nee, de eerbiedwaardige Ajahn Chah merkt haast koeltjes op: ‘Begrijp dat zelfs de Boeddha zelf, met al zijn grote deugden, niet aan de lichamelijke dood kon ontkomen’. En verder: ‘.. u [zou] moeten beseffen dat het genoeg is.’ En waarom dat zo is volgt uit: ‘We moeten ons met ons lichaam op ons gemak voelen, in welke toestand het zich ook bevindt.’ Een boodschap die nog eens herhaald wordt in de vergelijking: ‘Wanneer uw huis vol water stroomt of tot de grond afbrandt of door welk ander gevaar dan ook wordt bedreigd, laat dat dan alleen het huis betreffen. Zorg er bij een brand voor dat uw hart niet verteert ;…’.
De vrouw wordt in wezen niets anders verteld dan wat iedereen, stervend of volop levend, wordt verteld. Natuurlijk sterf je, wat had je dan anders verwacht?

Berusting

Het radicaal berusten in de loop der dingen is kenmerkend voor de Indiase houding tegenover het leven. Berusting is geen apathie omdat het gepaard ging, en veelal nog gaat, met een intense belangstelling voor het innerlijk leven van de mens. Een belangstelling die allesbehalve passief bleef.
Er zijn veel methoden ontwikkeld om het innerlijk te veranderen en waar mogelijk te verbeteren. Naast een filosofie van het innerlijk zijn er technieken voor verandering van het innerlijk ontwikkeld. Deze technieken, waaronder vele vormen van meditatie, zou je yoga kunnen noemen hoewel er direct bij gezegd moet worden dat wat hier in het westen als yoga wordt gepresenteerd te vaak niet meer is dan een wel uiterst schlemielige invulling daarvan.
De berusting is positief gefundeerd. In het bovenstaande voorbeeld wordt de vrouw gezegd haar lichamelijke dood te accepteren opdat zo haar innerlijk niet wordt aangetast door het vastklampen aan een futiele zaak als een stervend lichaam.
Het boeddhisme laat zich goed plaatsen in deze traditie van berusting maar het is ook voor Indiase begrippen radicaal in zijn stelling dat alles in wezen lijden is. Het onderscheid tussen ‘lager’ en ‘hoger’ geluk, dat reeds in de Oepanishaden aanwezig was, wordt in het boeddhisme tot een onderscheid tussen lijden en geluk. De wereld is lijden, het geestelijk loskomen van de wereld is geluk. Dit idee is krachtig verwoord in de centrale leerstelling van het boeddhisme: de leer van de vier edele waarheden. Deze vier waarheden vormden de inhoud van het eerste, en naar menigeen beweert, belangrijkste onderricht dat de Boeddha gaf na het bereiken van de hoogste staat van verlichting (beschreven in hoofdstuk 1, maar in verschillende variaties herhaald in meerdere hoofdstukken).

Lijden

Deze wereld is een wereld vol lijden. Ook al denk je zelf gelukkig te zijn dan is er nog de ellende van de andere mensen. De wereld te willen veranderen is echter ook lijden omdat het nooit ten volle lukt. Dit wordt de eerste edele waarheid van het lijden genoemd.
De tweede edele waarheid is de wetenschap dat het lijden een oorzaak heeft. De oorzaak is de gehechtheid aan iets wat uiteindelijk vergankelijk is. Gehechtheid leidt tot de zinloze wens iets te laten voortbestaan. Zinloos, omdat uiteindelijk alles vergaat. De tweede edele waarheid scheidt het samengaan van gehechtheid en lijden in oorzaak en gevolg.
De derde edele waarheid houdt in dat het lijden gestopt kan worden. Gehechtheid kan teniet gedaan worden.
De vierde edele waarheid is de waarheid van het achtvoudige pad dat leidt naar de volledige onthechting. De acht wegen bestaat uit drie wegen van juiste handelen, drie wegen voor de juiste geestelijke inspanning en twee wegen voor het juiste denken (een korte bespreking is te vinden in hoofdstuk 3 van Bikkhu Bodhi, een meer gedetailleerde in hoofdstuk 8 van S.N. Goenka).
De meditatie speelt een prominente rol in het achtvoudige pad (waarover meer informatie onder andere in hoofdstuk 14 van de tweede dalai lama Gyalwa Gendun Gyatso, in hoofdstuk 15 van Pema Chudrun en vooral in hoofdstuk 23 van Shunryu Suzuki over het Zen-begin).
Zo kan de oorzaak van het lijden worden weggevaagd.
De mens die de staat van verlichting bereikt heeft, doorziet en beseft ten diepste het belang van de afwezigheid van illusies. Hij beseft ook dat de illusie lastig te verdrijven is, daar deze zich sterk heeft verankerd in de menselijk geest.
De illusie is van een totaal andere orde dan een ordinair waandenkbeeld of vooroordeel. Dat laatste is slechts een specifieke ordening van voor werkelijkheid gehouden schijn.
De echte illusie is het idee dat willekeurig welke ordening ergens over gaat (zie de hoofdstukken van Chugyam Trungpa). De staat van verlichting is dan ook niet een of ander fijn gevoel of een bijzondere geestesgesteldheid. De verlichte is niet geïnteresseerd in het bovennatuurlijke. De verlichte is altijd tevreden. Dat is de verlichting (Shunryu Suzuki: hoofdstuk _23).
Noodzakelijk voor het bereiken van de verlichting is te leren de dingen te zien zoals ze werkelijk zijn. Het juiste inzicht in de dingen bereik je door de drie elementaire eigenschappen van de dingen te herkennen.
Nyanoponika Thera (in hoofdstuk 6) brengt deze drie elementaire eigenschappen van alle dingen, in navolging van de Boeddha, als volgt onder woorden. Alle dingen zijn 1) vergankelijk, en 2) substantieloos (‘niet-zelf’), en alle bewuste wezens hebben de eigenschap van 3) onvoldaanheid (‘lijden’).
Alles is vergankelijk betekent dat niets op verschillende momenten hetzelfde is. Elk ding houdt elk moment op te bestaan, en zo ook gaat elk leven op elk moment dood.
Sterven is niets bijzonders. Iets anders te denken, betekent dat je geketend bent aan de illusie dat je een identiteit, een zelf, ego of substantie hebt die van het ene moment naar het andere reist. Die illusie is strijdig met de waarheid van het niet-zelf.
De illusie hangt ook ten nauwste samen met de waarheid van het lijden (onvoldaanheid). Want te denken dat je een zelf hebt leidt tot de verwachting dat dingen blijvend zijn.
Ook het streven iets te doen dat je aan de vergetelheid zal ontrukken, is zinloos. Je eeuwige daad, beeld of boek zal ooit eens vergeten zijn. Al was het maar omdat het heelal zelf de warmtedood sterft. Maar vooral bij lichamelijk verval en aftakeling wordt de illusie van het zelf wel heel waarneembaar beschadigd. Frustratie, teleurstelling en wanhoop zijn het gevolg. Dat is lijden.

Praktijk

Deze drie elementaire eigenschappen leren, vereist geen hoogstaand denkwerk. Iedereen kan de belangrijkste consequenties ervan denken en opschrijven. Het gaat er vooral om de dingen zoals ze zijn te ervaren. En dat is een grote opgave en tegelijk de reden om aan meditatie te doen.
De ervaring vereist de juiste soort van mentale inspanning. Het is een opgave die, mits goed uitgevoerd, veel profijt kan opleveren. Nyanaponika Thera (hoofdstuk 6): ‘Het zal ons bevrijden van irreële verwachtingen, ons in staat stellen lijden en mislukkingen moedig te aanvaarden.’ Een dergelijke zienswijze bevordert de onthechting … ‘zodat tenslotte nirvana wordt bereikt, de uiteindelijke bevrijding van de geest uit het lijden.’
De neiging om vragen te stellen is nauwelijks te onderdrukken. Wanneer alles sterft op hetzelfde moment dat het bestaat, waar komt dan de ogenschijnlijke stabiliteit vandaan?
Reginald A. Ray geeft in hoofdstuk 33 een antwoord. Er is wel degelijk een continuiteit. Het boeddhisme gebruikt hier het aloude idee van karma. Letterlijk vertaald schijnt karma ‘handeling’ te betekenen, maar het wordt gebruikt in de betekenis van de optelsom van alle daden die een mens of dier gedaan heeft. Het karma is dan een ingewikkelde balans van de positieve en negatieve effecten van daden en de intenties waarmee de daden gedaan zijn.
Het karma van een persoon bepaalt de kwaliteit van het leven waarin hij of zij wedergeboren zal worden. Karma is ook sterk verbonden met het idee van reincarnatie. Reginald A. Ray: ‘Ieder moment van illusie krijgt de ruimte om een volgend moment van illusie met dezelfde structuur te veroorzaken. _Tussen de momenten ligt echter een gat, en daar zou je het illusoire idee van zelf in kunnen laten vallen.’
In bepaalde varianten van het boeddhisme wordt dit idee van onderbroken maar karmisch met elkaar verbonden ideeën van het zelf aangeduid met de term ‘levensstroom’. Overigens is de vraag waar die stabiliteit vandaan komt geen vraag waar de Boeddha zelf langdurig bij stilgestaan schijnt te hebben. De Boeddha richtte zich vooral op de praktijk. Het doel was om de verlichting te bereiken, niet om een filosofisch systeem te bouwen. Mensen moeten af van het idee van een absolute zelf dat hen zoveel kwaad berokkende. Dat is belangrijker dan de vraag hoe je aan het idee komt. Want, zo stelde hij, wanneer een man getroffen wordt door een giftige pijl dan vraagt hij toch ook niet eerst waar die pijl vandaan komt, wie hem heeft afgeschoten, of van welke houtsoort de pijl gemaakt is? Die pijl moet er domweg uit. Daar zit iets in.

Respect

Desondanks (?) is er binnen het boeddhisme veel nagedacht.
De boeddhistische psychologie behoort de het meest gevanceerde die er wereldwijd te vinden is en zelfs op een terrein dat je haast wel logica moet noemen is er veel gepresteerd. Ook is er, met name in de latere varianten van het boeddhisme (vooral in de vajrayana traditie), veel aandacht voor paranormale zaken.
De Boeddha zelf schijnt beide zaken vrij onbelangrijk te hebben gevonden en heeft er niet te veel aandacht aan besteed. In overeenstemming hiermee komen in het boek van Samuel Bercholz en Sherab Chudzin Kohn beide zaken nauwelijks aan de orde.
Juist door te kiezen voor eenvoudige teksten hoeven geen grote intellectuele barrières genomen te worden en kan de aandacht volledig op het begrijpen van de vaak vreemde gewoontes en denkwijzen van de boeddhist gericht worden.
Juist hierdoor maakt het boek een goede kans te hebben te slagen in het doel de vreemde wereld van het boeddhisme dichter bij de westerse lezer te brengen. De bovenstaande beschouwing over het boeddhisme is ook grotendeels in het boek terug te vinden. Zij het overigens wel met enige moeite. De informatie uit verschillende hoofdstukken zal op eigen kracht tot een geheel gecombineerd moeten worden.
Het is jammer dat samenstellers niet de moeite hebben genomen om naast het verslag van het leven van de en naast het korte historische overzicht van de geschiedenis van het boeddhisme om in een hoofdstuk een aantal centrale gedachten of leerstellingen van het boeddhisme systematisch weer te geven.
Het respect voor het doel van de samenstellers en de wijze waarop dat doel nagestreefd sluit niet alle kritiek uit.
De belangrijkste kritiek op dit boek betreft de gebrekkige manier waarop het feitelijk boeddhisme aan de lezer gepresenteerd wordt. Het boeddhisme kent namelijk een bijzonder groot aantal verschillende varianten die onderling op onderdelen beslist strijdig zijn. De oorzaak hiervoor laat zich simpel opschrijven.
De leer van Boeddha is eigenlijk altijd goed gecombineerd kunnen worden met zich nieuw aandienende spirituele bewegingen of met lokale en regionale religies. Het boeddhisme in Japan bijvoorbeeld is verregaand beïnvloed door de daar nog altijd heersende Shinto religie en wijkt in veel opzichten af van, bijvoorbeeld, het Tibetaanse boeddhisme waarin veel elementen van het oeroude animistische bon geloof zijn opgenomen.
De samenstellers van het boek hebben in feite afgezien van een behandeling van de manier waarop het boeddhisme zich steeds weer wist aan te passen aan de omstandigheden, en hebben er van afgezien de af en toe toch lastig te interpreteren verschillende visies van de afzonderlijke auteurs nader te bespreken. De feitelijke, historische, ontwikkeling van het boeddhisme komt alleen tot uiting door het overnemen van de gebruikelijke fasering van het boeddhisme (theravada, mahayana en vajrayana) en het, vaak impliciet, zo voor te stellen alsof het hierbij om een soort intern rijpingsproces gaat. Niet alleen is dat vanuit cultuur-historisch gezichtspunt meer dan dubieus, maar zo wordt ook de lezer opgezadeld met probleem de verschillen in opvattingen zelf te herkennen of te overdenken. Voor een boek dat een eerste kennismaking wil zijn is dat minder geslaagd.

Tegenhangers

Op zijn minst had het volgende opgemerkt kunnen worden (sommige aspecten worden wel genoemd, maar niet alles en in niet in een overzicht). Het oorspronkelijke boeddhisme, waar overigens al vele geledingen in te herkennen waren, en dat veelal het theravada boeddhisme genoemd, kreeg het mahayana boeddhisme als tegenhanger. Lag in het theravada boeddhisme de nadruk op de individuele verlichting, in het mahayana boeddhisme kwam de nadruk te liggen op het streven iedereen te verlossen uit zijn karmisch web. De volgelingen van het mahayana boeddhisme zetten zich af tegen het idee dat iedereen zelf voor zijn eigen verlichting verantwoordelijk was. Zo ontstond het beeld van de Bodhisattva.
De Bodhisattva is iemand (een godheid in veel varianten van het mahayana boeddhisme) die in staat is om het nirvana te bereiken maar dit moment uitstelt om eerst alle wezens uit hun illusoire en deerniswekkende staat te redden. Mededogen en compassie namen voor een deel de plaats in het van individuele streven naar verlichting. De belangrijkste bodhisattva is Avalokiteshvara die ook wel de god van het mededogen wordt genoemd.
De Dalai Lama, hoewel deze eigenlijk behoort bij de derde grote stroming van het boeddhisme, het vajrayana boeddhisme, wordt gezien als een emanatie van deze bodhisattva, net zoals zijn voorgangers.
Het mahayana boeddhisme is waarschijnlijk ontstaan als een respons op een zich steeds intenser manifesterende behoefte een God als een persoon te kunnen aanbidden.
Deze zogenoemde bhakti-beweging, die ook buiten het boeddhisme grote gevolgen had, leidde ertoe dat de historische Boeddha werd gezien als slechts een van een hele rij Boeddha’s die allemaal het nirvana bereikt hadden. Na de laatste Boeddha zou er nog eenmaal een Boeddha komen, de Maitreya, ook wel de Boeddha van de toekomst genoemd. Maar hoewel het aantal Boeddha’s _ steeds groter werd ontstond ook het idee dat al deze Boeddha’s in wezen een en hetzelfde zijn. Het idee van een absolute God waaruit alles afgeleid is, was niet ver meer.
Het mahayana boeddhisme te zien als onmisbaar opvolgende stap van het theravada boeddhisme, zoals bijvoorbeeld Chugyam Trungpa schijnt te doen (zie hoofdstuk 16) met instemming van de samenstellers, is een wel erg simpele manier om de vraagtekens rond de toenemende verering van Boeddha als een god, tegen de uitdrukkelijke wens van de Boeddha zelf in, weg te redeneren. Want er kan net zo goed gesteld wordt dat het gaat om de teloorgang van het ‘echte’ boeddhisme als dat er sprake zou zijn van een gunstige ontwikkeling. Een vraag die versterkt terugkomt bij de beschouwing van het vajranaya boeddhisme waarin de beheersing van de verschijnselen, al dan niet via occulte krachten, weer een grotere rol speelt.
Het is niet aan mij Trungpa’s stellingname te veroordelen, maar het is wel aan mij te melden dat het idee van een zich zelfstandig ontwikkelend boeddhisme niet juist hoeft te zijn en verder dat een focus op de interne rijping van het boeddhisme gemakkelijk kan leiden tot een onderschatting van het belang van de externe factoren. Ik zie niet in hoe anders de bij tijd en wijle grote verschillen tussen boeddhistische stromingen verklaard kunnen worden. Ik aarzel dan ook niet de lezer aan te raden naast het lezen van dit boek er ook een meer cultuur-historische werk op na te slaan.
Het in 1994 verschenen dunne, goedkope en zeer leesbare boek van Sjoerd de Vries, ‘boeddhisme voor beginners’ (bij De Boekerij) voldoet uitstekend. En daarmee is niet gezegd dat achter de vele gezichten van het boeddhisme niet een indrukwekkende eenheid schuil gaat.
Maar laat deze mijmeringen niemand ervan weerhouden het boek aan te schaffen.
Het is een boek met goede teksten die te begrijpen zijn. Het is verder fraai uitgevoerd en goed verzorgd. En ach, zolang maar beseft wordt dat Boeddha zelf geen boeddhist was, is er geen vuiltje aan de lucht. Toch?

Henk Ellermann

De stroom ingaan … Boeddha’s leven en leer
samenstellers: Samuel Bercholz en Sherab Chudzin Kohn
Uitg: Servire, Cothen
ISBN 90-6325-458-x
NUGI 633

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s