DE BOEDDHA EN HET ONTSTAAN VAN HET BOEDDHISME

Standaard

De belangrijkste boodschap van de Historische Boeddha Sakyamuni is dat hij een mens was, zoals alle andere mensen. Alle mensen (en overige levende wezens) hebben dezelfde potentie als hij, die hij 2500 jaar geleden gerealiseerd heeft. Ieder mens kan zich ont-wikkelen (in de zin van verduistering afleggen) tot een boeddha; iemand die haar of zijn potentie heeft gerealiseerd en tot verlichting is gekomen. Daarbij zijn zij niet afhankelijk zijn van de genade of ongenade van ‘machten’ buiten zichzelf. Ieder mens ‘rekent zichzelf af’ op de intentie van zijn handelen, spreken en denken en bepaalt daardoor de kwaliteit van zijn bestaan.

Het boeddhisme ontstond in de 6e eeuw voor Chr. als gevolg van de spirituële inzichten van de Brahmaanse prins Siddhartha Gautama, kroonprins van het koninkrijk van de Sakya’s in het huidige Noord-India, die ook bekend is als Sakyamuni (de wijze van de Sakya’s) Boeddha en als de Historische Boeddha.
Volgens de overlevering werd bij zijn geboorte voorspeld dat hij òf een groot wereldlijk òf een groot spiritueel leider zou worden. Zijn vader wilde het eerste en omringde hem met alle dingen die hem op het wereldse zouden moeten richten. Maar op een aantal tochten buiten het paleis zag prins Siddhartha eerst een zieke, vervolgens een bejaarde en tenslotte een dode; zaken die tot dan moedwillig ver van hem gehouden werden. Deze confrontaties riepen in hem de vraag wakker wat de oorzaken van lijden zijn en of deze oorzaken op te heffen zijn. Na verloop van tijd besloot prins Siddhartha het paleis te verlaten ten einde zich volledig in de beantwoording van deze vraag te kunnen verdiepen. Eerst volgde hij enige jaren een pad van meditatie en contemplatie en werd meester hierin, maar het uiteindelijke antwoord op zijn vragen vond hij niet. Daarop volgde hij enige jaren een pad van de strengste ascese, maar dit bracht hem evenmin bij het antwoord op zijn vragen. Na verloop van tijd gaf hij ook dit op en in een soort wanhoop of hij ooit de antwoorden op zijn kernvragen zou vinden, maakte hij een zetel van gras onder een boom die hem beschutting gaf aan de oever van een riviertje op een plek waar thans Bohd Gaya ligt. Hij nam zich voor daar het antwoord te vinden of te sterven. Door deze volkomen overgave, bereikte hij op een nacht
– eerst inzicht in al zijn vorige levens,
– vervolgens inzicht in de samenhangen in de werkelijkheid en
– ten slotte inzicht in de vraag hoe lijden opgeheven kan worden.
Hij werd hiermee de (historische) Boeddha, “de Verlichte”.

Boeddhisme is geen geloof, maar een levensfilosofie
De Historische Boeddha heeft zijn volgelingen altijd aangespoord niets op zijn gezag aan te nemen, maar te proberen zo onbevooroordeeld mogelijk naar hem te luisteren en vervolgens alleen aan te nemen waarvoor de volgeling persoonlijk verantwoordelijkheid kan nemen. Daarom bestaat in het boeddhisme ook niet zoiets als een ‘centraal leergezag’, dat in de meeste theïstische religies wel bestaat.
Boeddhisme is daarom uitdrukkelijk geen geloof en geen godsdienst. Boeddhisme is veeleer een manier van leven, die religieuze aspecten kan hebben – in de zin van het Latijnse relegare: het verbinden van het lagere met het hogere.
Boeddhisme is een kijk op het proces waardoor onze schijnbare werkelijkheid ontstaat, als een – door ik-gebonden en ik-handhavende vooroordelen, de daaruit voortkomende gewoonte patronen en door onze zintuigen beinvloedde – verdraaide eigen interpretatie van Absolute Werkelijkheid.
Vervolgens biedt het boeddhisme een stelsel van methodes om door beoefening en studie tot de ervaring en later realisatie van Absolute Werkelijkheid te komen.
Absolute Werkelijkheid kan niet in woorden en concepten omschreven worden, omdat woorden en concepten tot de duale, relatieve werkelijkheden behoren.
Absolute Werkelijkheid kan wel ervaren worden, als gevolg van een geleidelijk afbreken van onze vooroordelen en gewoontepatronen en het doen van beoefeningen.

Oefening en beoefening
Beoefening is het omgekeerde van oefening. Door oefening (o.a. door opvoeding en ik-handhaving (door middel van de zgn. Drie Vergiften: passie, agressie en vooroordeel)) leren wij ons aan onze zelf geschapen relatieve werkelijkheid als de Werkelijkheid te ervaren. Wij ontwikkelen als gewone mensen als het ware een stelsel van gewoonten en vooroordelen, die ons van onze fundamentele natuur – boeddhaschap – gescheiden houden. Dit is ook de reden waarom wij het leven ervaren met een kwaliteit van frustratie. Niet is blijvend; ook geluk vergaat. Door beoefening kunnen wij dit geleidelijk afleren. Wij ontdoen ons (ont-wikkelen ons) daardoor van datgene wat onze ervaring van Absolute Werkelijkheid verduistert, waardoor Verlichting gerealiseerd kan worden. Verlichting is de potentie van alle levende wezens.
Er wordt gezegd dat volgens de Historische Boeddha er 84.000 manieren van verduistering
zijn en er bijgevolg ook potentieel 84.000 manieren zijn om Verlichting te bereiken. Dit verklaart waarom er veel verschillende richtingen en stromingen binnen het boeddhisme bestaan.
Een student van het boeddhisme wordt aangeraden een richting te zoeken die bij haar of zijn persoonlijkheidsstructuur past. Dat is voor de betreffende persoon de beste weg om inhoud aan haar of zijn boeddhist-zijn te geven.

De Vier Zegels
Alle boeddhistische richtingen of stromen hebben vier gemeenschappelijke kenmerken, de zgn. Vier Zegels. Deze zijn:
– ‘alle samengestelde verschijnselen zijn veranderlijk’ (er bestaan geen niet-samengestelde verschijnselen),
– ‘alle onzuivere verschijnselen hebben een kwaliteit van lijden/frustratie’ (omdat de verschijnselen kunstmatig/niet echt zijn en daardoor onzuiver, ontstaat lijden/frustratie),
– ‘alle verschijnselen zijn zelfloos’ (zij hebben geen onveranderlijke en onafhankelijk van anders of anderen bestaande kern), en
– ‘Nirvana (de staat voor(bij) lijden) is vrede’.
Wanneer een visie in strijd is met één van deze vier zegels, dan is dat geen boeddhistische visie.
Indelingen van en hoofdstromingen binnen het boeddhisme
De boeddhistische richtingen of stromingen kunnen op veel verschillende manieren ingedeeld worden.
De meest gangbare daarvan is de indeling volgens ‘de Drie Wentelingen van het Wiel van de Dharma’, de drie soorten/niveau’s van onderricht van de Historische Boeddha zelf.
De Eerste Wenteling vond plaats in Sarnath, bij het huidige Varanassi, waar Sakyamuni Boeddha kort naar zijn Verlichting zijn eerste officiële onderricht gaf aan de vijf mensen waarmee hij enige jaren de strengste ascese had beoefend. Deze mensen zagen de werkelijk-heid zoals wij denken deze te ervaren als de echte werkelijkheid en zij waren geheel op lijden gefixeerd. Deze eerste leerrede is bekend geworden als ‘de Vier Edele Waarheden’.

De Vier Edele Waarheden luiden als volgt:
1. Alle bestaan heeft een kwaliteit van lijden/frustratie,
2. De oorzaak daarvan is onwetendheid/verkeerd inzicht,
3. Er is een Pad uit het lijden, en
4. Dit Pad is het Edele Achtvoudige Pad.

Het Edele Achtvoudige Pad bestaat uit acht stappen:
1. De Juiste Visie (het begin van inzicht dat de Absolute Werkelijkheid iets anders is dan onze ervring ervan; onze relatieve werkelijkheden),
2. De Juiste Intentie (de intentie om eraan te gaan werken de Absolute Werkelijkheid te gaan ervaren),
3. Het Juiste Spreken (geen onwaarheid spreken, je spraak niet ten eigen voordeel gebruiken, anderen niet met je woorden kwetsen),
4. Het Juiste Handelen (te streven in je handelen anderen zo min mogelijk te schaden),
5. Het Juiste Levensonderhoud (niet meer nemen dan je nodig hebt, geen stoffen tot je nemen die je bewustzijnstoestand nadelig beinvloeden),
6. De Juiste Inspanning (niet te gespannen en niet te ontspannen),
7. De Juiste Meditatie (je een instelling aanleren waarbij je doet wat je doet, onafgeleid en met overzicht, zodat je verantwoordelijkheid voor jezelf kunt nemen en behouden) en
8. Het Juiste Inzicht (de ervaring van Absolute Werkelijkheid).

Het Edele Achtvoudige Pad is een Pad dat begint met het inzicht dat onze traditionele manier van kijken naar de werkelijkheid leidt tot zelfbedrog. Vervolgens ontwikkelt de beoefenaar daaruit de intentie om deze kijk te veranderen. Daarna zijn er vier vormen van actie, er allen op gericht jezelf en anderen geen of zo min mogelijk schade toe te brengen. Deze houding en het bijbehorende inzicht wordt verdiept door de juiste meditatie. Ten slotte zal hierdoor eens het inzicht in de echte kwaliteit van de werkelijkheid ontstaan = Verlichting (de beëindiging van het lijden).

De Tweede Wenteling vond plaats bij Rajhir op de Gierenpiekberg, voor een gezelschap van mensen en andere wezens die reeds langere tijd beoefening hadden gedaan en daardoor een andere ervaring van de kwaliteiten van de werkelijkheid hadden gekregen. Deze leerrede, die feitelijk een vraaggesprek was van een belangrijke leerling van de Boeddha – Sariputra – en de bodhisattva van mededogen – Avalokiteshvara -, waarvan de juistheid van de antwoorden aan het einde door de Historische Boeddha bevestigd wordt, gaat over de kwaliteiten van de Absolute Werkelijkheid. Dit onderricht is later gevolgd door ander soortgelijk onderricht, eveneens voor selecte gezelschappen. Dit onderricht heet het prajnaparamita-onderricht (het onderricht over de transcenderende wijsheid).

 

De kern hiervan is verwoord in de strofe uit de Hartsoetra:
‘Vorm is leegte,
leegte is vorm;
vorm is niet anders dan leegte,
leegte is niet anders dan vorm’.

De Derde Wenteling werd één op één door de Historische Boeddha gegeven aan een koning die Verlichting wilde bereiken maar daarvoor zijn wereldse taken niet wilde opgeven, zoals
dat in het verlengde van de Eerste Wenteling wel wordt aanbevolen: non of monnik worden. Dit onderricht gaat vooral over de wijzen waarop tot een directe ervaring van de fundamentele kwaliteiten van de Absolute Werkelijkheid gekomen kan worden.

De drie hoofdstromingen binnen het boeddhisme: Theravada, Ch’an of Zen en Tibetaans boeddhisme.

Theravada
Het onderricht behorend bij de Eerste Wenteling, dus het publieke onderricht van de Historische Boeddha, vormt de basis van het Theravada (de wijsheid van de ouderen), het boed-dhisme van het huidige Sri Lanka, Birma, Thailand, Laos, Cambodja en zuidelijk Vietnam.
Dit onderricht werd vastgelegd tijdens ‘het eerste boeddhistische concilie’, dat kort na het overlijden van de Historische Boeddha door zijn meest nabije leerlingen werd gehouden. Hierin speelde de neef en (gedurende de laatste jaren van zijn leven) persoonlijke verzorger van de Historische Boeddha – Ananda – een centrale rol. Van Ananda wordt gezegd dat hij het perfecte geheugen bezat, waardoor hij exact kon navertellen wat de Historische Boeddha had onderwezen. Bijna alle teksten beginnen met de woorden: ‘Aldus heb ik gehoord …..’.
Dit onderricht werd gedurende enige honderden jaren mondeling overgedragen. Monniken en nonnen le(e)r(d)en tijdens hun opleiding (een deel van) deze teksten uit hun hoofd; een gewoonte die tot vandaag de dag in vele tradities wordt voortgezet.

In de 2e eeuw voor de westerse jaartelling werd dit onderricht in Sri Lanka op papier gezet. Dit is de zgn. Pali-canon, genoemd naar de taal waarin de Historische Boeddha waarschijnlijk onderwezen heeft.
De Pali-canon wordt traditioneel ingedeeld naar drie onderwerpen (de Tripitaka, of drie korven, waarbij elke korf onderricht over een onderwerp bevat):
– het ondericht dat handelt over de discipline (vinaya) van de monniken- en nonnen orde,
– het onderricht van de leerredes (soetra’s), meestal gegeven naar aanleiding van situaties of concrete vragen aan de Boeddha, en
– het onderricht over de werkelijkheid (abhidharma).
Vrij kort na de vastlegging van dit onderricht ontstonden tussen de volgelingen van de Histo-rische Boeddha verschillen in opvatting over de uitleg ervan. Daardoor ontstonden spoedig de 18 sub-scholen van het Theravada, waarvan een tweetal heden ten dage nog bestaan: de Vaibhashika- en de Sautantrika-scholen.
Het Theravada wijst de Tweede en Derde Wenteling af, omdat het geen oorspronkelijk, publiek onderricht van de Historische Boeddha (zou) betref(t)(fen). Echter door alleen het publieke onderricht te volgen, komt de Theravada-beoefenaar ook tot ervaringen die in het onderricht van de Tweede en Derde Wenteling beschreven zijn.

Ch’an en Zen
Het publieke onderricht en dat van de Tweede Wenteling liggen aan de basis van de vormen van het boeddhisme die vooral in China en Japan wortelschoten, en die Ch’an (China) en Zen (Japan) worden genoemd, maar die teruggaan naar vormen van het boeddhisme die aanvanke-lijk ook in India bestonden en daar de naam Dhyani hadden. Deze vormen van boeddhisme komen ook voor in Korea en noordelijk Vietnam.
Alle drie benamingen duiden op bepaalde vormen van meditatie, die gericht zijn op de ervaring van de kwaliteiten van Absolute Werkelijkheid, waaruit de persoonlijke ervaring van de werkelijkheid in de alle dag situatie – de relatieve werkelijkheden – voortkomt. Deze kwaliteit wordt met de Sanskriet term ‘shunyata’ aangeduid. Shunyata kan het beste vertaald worden met ‘volle-leegte’; leeg aan concepten en vooroordelen, vol van potentie.
Dit ondericht is vastgelegd in de zgn. Prajnaparamita-soetra’s – de Soetra’s van het Hart van Transcendente Wijsheid. Deze maken (zoals gezegd) geen deel uit van de Pali-canon.
Rond 200 van de westerse jaartelling werd dit ondericht van een uitgebreid denkkader voor-
zien door de Indische meester Nagarjuna, iemand waarvan gezegd wordt dat zijn komst door de Historische Boeddha voorzegd was.
Nagarjuna legt vooral het accent op het leegte-aspect van shunyata.

Tibetaans Boeddhisme
Het publieke onderricht, het ondericht van de Tweede Wenteling en dat van de Derde Wenteling liggen ten grondslag aan Tibetaanse boeddhisme. Het onderricht van de Derde Wenteling is al kort na het overlijden van de Historische Boeddha verder gegeven door iemand, waarvan de komst eveneens door de Historische Boeddha voorspeld was. Zijn Tibetaanse naam luidt Garab Dorje. Dit was de koning van het land Odyana dat waarschijnlijk in het huidige Kashmir lag. Behalve in Odyana werd dit onderricht ‘in het geheim’ ook gegeven op Sri Lanka en op de begraafplaats van Bodh Gaya. Van Garab Dorje lopen overdrachtlijnen van leraar op leerling, die vervolgens leraar wordt, enzovoort, naar Padmasambhava, die dit onderricht (tezamen met anderen) aan het einde van de 8ste eeuw van de westerse jaartelling naar Tibet bracht, waar het een goede voedingsbodem vond door de voorbereiding hiervoor van Tibetanen in hun oorspronkelijke Bön-religie.
In de 4e eeuw van de westerse jaartelling werd het onderricht van de Derde Wenteling van
een uitgebreid denkkader voorzien door de Indiër Asanga en later ook door diens broer Vasubandu. Dit onderricht gaat vooral in op het potentie-aspect van shunyatha; de ‘thatagatha-garba’ of de fundamentele- of boeddha-natuur van alle verschijnselen en de manier waarop deze ervaren kan worden. De fundamentele- of boeddha-natuur is dat waar alles dat in het relatieve lijkt te bestaan uit voortkomt en waarin dit uiteindelijk terugvalt, en wat voor en voorbij het relatieve/conceptuële ligt. (Alles wat denkbaar is, kan uit de Absolute Werkelijkheid in de relatieve werkelijkheden ontstaan wanneer daarvoor de oorzaken en condities aanwezig zijn, en zal er eens in terugvallen wanneer de oorzaken en condities wegvallen.)

De Drie Voertuigen of Yana’s
Binnen met name het Tibetaanse boeddhisme, dat haar oorspronkelijke verspreidingsgebied had in het Himalaya-gebied en Mongolie, wordt een expliciet onderscheid gemaakt in de Drie Voertuigen
of Yana’s (Sansk.):
– Hinayana of wel klein of fundamenteel voertuig (klein omdat het object van de beoefening is het vrede sluiten met jezelf; fundamenteel omdat dit de eerste noodzakelijke stap is voor een verdere ontwikkeling),
– Mahayana of wel groot voertuig (groot omdat door de eerste hinayana-fase vanzelf een openheid naar jezelf en anderen ontstaat, waardoor de focus in de beoefening en het dagelijksleven wordt je in te zeten voor het welzijn van alle andere levende wezens), en
– Vajrayana of diamantenvoertuig (diamant omdat de focus van de beoefening en het dagelijks leven wordt van alles de zuivere (= boeddha)-aard te ervaren.

De yanas in vergelijking met de omgang met een gifplant
De yana’s worden traditioneel wel vergeleken met de omgang met een gifplant, waarbij de gifplant de metafoor is voor onze verduistering en verwarring en de negatieve emoties die daar het gevolg van zijn.
In het Hinayana zet je een hek om de gifplant, zodat jij en anderen er geen schade van ondervinden – onthouding.
In het Mahayana pak je gifplant aan door deze met wortel en tak uit te roeien. Je vernietigt niet alleen de wortels en takken, maar je zorgt er ook voor dat deze niet meer uit kunnen lopen – de toepassing van de tegengiften – grenzenloze liefdevolle vriendelijkheid, grenzenloze compassie, grenzenloze delende vreugde en grenzenloze gelijkmoedigheid – tegen de vergiften – agressie, passie, jaloezie en trots/overschilligheid -.
In het Vajrayana zie je de mogelijkheid het vergif in medicijn te transformeren – van alles de zuivere = boeddha-natuur te zien. Het symbool daarvan is de pauw, waarvan gezegd wordt dat deze gif eet en dit transformeert tot zijn schitterende verschijning.
Het pad door de drie yana’s is dus een ontwikkelingsweg van groeiende inzichten en vaardigheden, waardoor de beoefenaar geleidelijk hogere en krachtiger niveau’s van beoefening leert toepassen na de voorbereiding daarvan in het voorgaande niveau.

De yana’s in vergelijking met de Drie Wentelingen van het Wiel van de Dharma en de drie hoofdstromingen binnen het boeddhisme
De accenten van de drie yana’s lopen sterk parallel aan de accenten in de Drie Wentelingen van het Wiel van de Dharma.
Zoals gezegd zijn de drie yana’s in het Tibetaanse boeddhisme expliciet aanwezig. Het Tibetaanse boeddhisme wordt naar waar het zich van de andere hoofdstromingen onderscheidt ook wel Vajrayana-boeddhisme genoemd.
In Ch’an en Zen zijn Hinayana en Mahayana expliciet aanwezig. Ch’an en Zen worden ook wel Mahayana-boeddhisme genoemd.
In het Theravada zijn de yana’s niet expliciet, maar meer impliciet aanwezig.
Het is niet juist om Theravada gelijk te stellen met Hinayana, Ch’an en Zen aan Mahayana en Tibetaans boeddhisme aan Vajrayana, hoewel de uiterlijke kenmerken en de accenten in de aanpak van deze drie hoofdstromingen binnen het boeddhisme er wel door getypeerd worden. Alle aspecten van de drie yana’s zijn impliciet in elk van de drie hoofdstromingen van het boeddhisme aanwezig.

Geheime mantrayana
Het Vajrayana wordt ook wel het ‘geheime mantrayana’ genoemd. Hierbij wordt niet bedoeld dat dit onderricht niet voor iedereen toegankelijk is. Het is voor iedereen die daarvoor (eventueel in vorige levens) een grond heeft gelegd in Hina- en Mahayana toegankelijk. De teksten zijn echter niet te begrijpen zonder de uitleg en de niet op schriftgestelde erbij horende instructies van een daartoe bevoegde leraar. Deze dient, alvorens zij of hij deze uitleg geeft, zich ervan te overtuigen dat de leerling de juiste motivatie en attitude heeft om dit onderricht te kunnen ontvangen, omdat een onjuist gebruik schade aan de beoefenaar zelf en anderen kan toebrengen.

Terma en dzogchen
Het Tibetaanse boeddhisme wordt bovendien getypeerd door twee andere kenmerken.
De eerste daarvan is de zgn. Terma-traditie. (Ter is Tibetaans voor schat.) Padmasambhava, die ook wel de Tweede Boeddha wordt genoemd, heeft gedurende zijn verblijf in Tibet talloze
schatten aan ondericht verborgen die bedoeld zijn om gevonden te worden wanneer de wereld daar aan toe is. De vinders van deze schatten (tertöns = schatvinders) worden beschouwd als reïncarnaties van zijn vijfentwintig volledig gerealiseerdeTtibetaanse leerlingen. Hierdoor treedt binnen het Tibetaanse boeddhisme telkens een dynamische vernieuwing plaats in de Terma-traditie, als complement op de statische overdrachttraditie van de Drie Wentelingen, de Ka-traditie.
De tweede is dat in Tibet het Dzogchen (Grote Perfectie)-onderricht, dat mogelijk ouder is dan het onderricht van de Historische Boeddha maar er volledig op aansluit, met name wat betreft het einde van het Pad naar Verlichting, een grote invloed heeft en door alle grote hedendaagse Tibetaanse boeddhistische leraren wordt onderwezen. Dzogchen (Sanskr. Maha Mudra; het Grote Zegel) wordt ook wel de essentie van alle religies genoemd.

Boeddhisme in Nederland
De drie hoofdstomingen van het boeddhisme zijn allemaal momenteel in Nederland aanwezig.
Op grond van opgaven van aantallen deelnemers aan hun activiteiten door de boeddhistische organisaties en op grond van CBS-cijfers over de aantallen eerste en tweede generatie immigranten uit boeddhistische landen, kan berekend worden dat er momenteel in de orde van 170.000 mensen met een ‘daadwerklijke affiniteit met het boeddhisme’ in Nederland zijn.
Daadwerkelijke affiniteit met het boeddhisme hebben, is iets anders dan boeddhist zijn.
Het aantal boeddhisten in Nederland is aanzienlijk lager dan de 170.000 en niet goed in te schatten, mede omdat een universele definitie voor wat een boeddhist is, ontbreekt.
Ongeveer 1/5 van de mensen met een daadwerkelijke affiniteit behoort tot het Theravada, 2/5 tot Ch’an en Zen, en 2/5 tot het Tibetaanse boeddhisme.

Boeddhisme in relatie tot (andere) religies en levensbeschouwingen
In het verlengde van het inzicht van de Historische Boeddha dat er 84.000 manieren van verduistering zouden zijn en dus ook 84.000 manieren om tot Verlichting te komen, en het ontbreken van een centraal leergezag, bestaat in het boeddhisme in principe een grote ruimte voor individuen om in eigen verantwoordelijkheid de bij hen passende richting te vinden.
Binnen het Tibetaanse boeddhisme bestaat een soort oekumenische beweging – de Rime-beweging -. Hierin wordt oekumene niet opgevat als het zoeken van de grootste gemene deler van de verschillende scholen, maar juist als het hebben van respect voor het authentieke eigene van de verschillende scholen.
Het is ook binnen het boeddhisme gebruikelijk dat een leraar zijn of haar leerling na verloop van tijd aanraadt bij een andere leraar in de leer te gaan, ten einde van deze dingen te leren waarin de eerste leraar minder thuis is.
Deze grondhouding strekt zich ook naar andere religies en levensbeschouwing uit. De Dalai Lama verwoordt dit meestal door zijn publieke onderricht in het Westen te beginnen met te zeggen dat alle religies voortkomen uit dezelfde Waarheid en dat het voor een westerling beter kan zijn om zich in de religie van haar of zijn eigen cultuur te verdiepen, omdat dit de betrokkenen tot dezelfde Waarheid kan brengen
Boeddhist worden kan dikwijls gepaard gaan met een (schijnbaar) mee moeten doen aan verschijnselen en gewoonten die niet fundamenteel boeddhistisch zijn, maar vooral (vreemde) cultuur gebonden.
Vanwege haar fundamentele grondhouding van respect naar andere opvattingen en geloven speelt het boeddhisme vaak een brugfunctie in de interreligieuze dialoog. Het gaat het boeddhisme hierbij niet om anderen van het gelijk van het boeddhisme te overtuigen, maar om anderen in de gelegenheid te stellen in eigen verantwoordelijkheid eigen keuzen te maken en opvattingen te vormen.

Advertisements

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s